Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1, onder b. en c. vermelde
voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief chronische
psychische en psychosociale problemen het gebruik van een collectief
systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a, onmogelijk maken.