De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd
indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een
verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de
woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere
belangrijke reden aanwezig was;
de persoon met beperkingen niet verhuist of verhuisd is naar de voor zijn of
haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor
tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van levensfase,
gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk
zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
De persoon met beperkingen verhuist naar een woonruimte die niet geschikt is het
gehele jaar door bewoond te worden
De persoon met beperkingen verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg.
De persoon met beperkingen onvoldoende meewerkt aan de goedkoopst adequate
oplossing, waaronder het verhuizen naar een adequate woning.
Afdeling II › Hoofdstuk 4
Artikel 4.8
Randvoorwaarden voor woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011