Lid 1
De periode waarover het functioneren wordt geëvalueerd omvat een tijdvak van maximaal één jaar.
Lid 2
Het functioneringstijdvak vangt niet eerder aan dan op de datum waarop de medewerker aangesteld is in de (nieuwe) functie.
Lid 3
Indien de medewerker op grond van de mobiliteitsregeling tijdelijk is geplaatst in een functie zal de –tijdelijk- direct leidinggevende minimaal één keer tijdens deze periode een ontwikkelingsgesprek voeren met de medewerker.