Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Afstemmingsverordening gemeente Wassenaar

Naast het (tijdelijk) verlagen van de uitkering geven de IOAW en IOAZ de bevoegdheid aan het college om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen zou hebben kunnen verwerven. Deze weigering ligt ook wel in de aard van de actuele tekst van de IOAW en de IOAZ omdat in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, gesproken wordt over het tijdelijk verlagen van de uitkering behoudens als de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Daarnaast kan de uitkering blijvend worden geweigerd als de belanghebbende op staande voet is ontslagen en hem dit verweten kan worden of als de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In deze verordening is gekozen voor een blijvende weigering van de IOAW/IOAZ uitkering in bovengenoemde situaties. Hieraan liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag: De IOAW en IOAZ zijn inkomensvoorzieningen die bedoeld zijn voor personen die buiten hun eigen toedoen hun arbeid niet hebben kunnen behouden; De IOAW en IOAZ zijn in verhouding gunstigere regelingen dan de WWB, hierbij valt te denken aan het ontbreken van de vermogenstoets, een ruimer inkomensbegrip en geen verlaging van de grondslag als de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden met een ander. Als een persoon door eigen toedoen werkloos is geworden of blijft, heeft hij feitelijk geen recht op deze bevoordeelde positie; Een tijdelijke weigering van de uitkering zou inhouden dat het college deze maatregel periodiek zal moeten heroverwegen; Bij een blijvende weigering kan de persoon, indien noodzakelijk, direct een beroep doen op de Wet werk en bijstand en valt zijn gedraging in de vierde categorie van artikel 9 van deze verordening hetgeen in principe een standaardmaatregel van 100% verlaging gedurende één maand oplevert. In het vijfde lid van dit artikel is nog bepaald dat aan de blijvende weigering van de uitkering een traject van (tijdelijke) verlaging van de uitkering vooraf kan gaan in de situatie dat de belanghebbende dusdanig belemmerende gedragingen laat zien dat er gesproken kan worden van het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. Bij een opzichzelfstaande gedraging leidt dat tot een maatregel op grond van artikel 9 van deze verordening maar als er vervolgens sprake is van recidive en de gedragingen dusdanige vormen aannemen dat gesproken kan worden van het door eigen toedoen geen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, kan uiteindelijk de uitkering blijvend geweigerd worden. Nog enkele opmerkingen bij dit artikel: Er wordt gesproken van een blijvende weigering van de IOAW/IOAZ uitkering en niet van een weigering voor onbepaalde duur. De term blijvende weigering wordt ook genoemd in de wetteksten en de terminologie voor onbepaalde duur zou mogelijk de rechtelijke toetsing niet doorstaan omdat dat in de jurisprudentie ook niet is toegestaan; Een blijvende weigering van de uitkering hoeft niet heroverwogen te worden. Een dergelijke bepaling is ook niet in de IOAW/IOAZ opgenomen; De blijvende weigering kan nooit hoger zijn dan het netto inkomen dat verloren is gegaan of niet is verkregen als gevolg van de verwijtbare gedraging van de belanghebbende; In artikel 20, vierde lid, van de IOAW/IOAZ is bepaald dat het feit dat een belanghebbende geen verweer voert tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever niet leidt tot het opleggen van een blijvende weigering van de uitkering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel