Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Vertegenwoordiging

Onderdeel van Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs

Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of niet deel te nemen aan het bestuurlijk overleg. Indien een bestuur ingaat op de uitnodiging voor het overleg dan wijst het hiervoor een of meer vertegenwoordigers aan (zie bijvoorbeeld de tekst van artikel 76, vijfde lid WBO). Uiteraard dient de mogelijkheid te worden geboden dat de vertegenwoordigers, net zo goed als dat het geval zal zijn bij de vertegenwoordiger van het gemeentebestuur, zich kunnen laten bijstaan door een of meer adviseurs. Het eerste lid biedt de mogelijkheid om de omvang van vertegenwoordiging van een schoolbestuur – uit oogpunt van een effectief overleg – te binden aan een maximum. Bij het gebruik maken van deze mogelijkheid zal de lokale situatie (aantal schoolbesturen; schaalomvang van de besturen) een rol spelen. De beruchte ‘Poolse landdagen’ dienen te worden voorkomen. Wanneer het aantal schoolbesturen in de gemeente bijvoorbeeld zo groot is dat het totaal aantal door al deze schoolbesturen aan te wijzen vertegenwoordigers (ook al is dit maar één vertegenwoordiger per bestuur) een vruchtbaar overleg in de weg staat, dan is het aan te bevelen gebruik te maken van de optie van een gezamenlijke vertegenwoordiging (zie tweede lid). Naast de in het model opgenomen opties zijn ook nog andere varianten denkbaar, zoals: – Een vertegenwoordiging per denominatie, waardoor de situatie kan optreden dat niet ieder schoolbestuur rechtstreeks aan het overleg deelneemt. Ook deze vertegenwoordiging kan worden gebonden aan een bepaald maximum aantal vertegenwoordigers. – Het vooraf in de verordening aangeven van de maximumomvang van het overleg (bijvoorbeeld 10 deelnemers namens de schoolbesturen). Aan de gezamenlijke schoolbesturen wordt overgelaten om deze vertegenwoordiging in te vullen. De representatie wordt daarbij zodanig ingevuld dat alle schoolbesturen van alle op het grondgebied van de gemeente voorkomende denominaties zich vertegenwoordigd weten in het overleg. Aangezien volgens de wet het schoolbestuur zijn vertegenwoordiger aanwijst, is het wel zaak om ingeval de verordening uitgaat van een (imperatieve) vorm van gezamenlijke vertegenwoordiging het daarover met alle schoolbesturen eens te zijn. Voor een effectief overleg is het eveneens belangrijk dat de besturen hun vertegenwoordigers voldoende mandaat geven voor het voeren van het overleg (innemen standpunten/maken van afspraken). De gekozen formulering dat de vertegenwoordiger namens zijn bestuur of namens een aantal besturen deelneemt aan het overleg is daarvan een uitdrukking. De vertegenwoordigers dienen zich te vergewissen van voldoende mandaat door middel van gestructureerd vooroverleg met de schoolbesturen die zij vertegenwoordigen. Het mandaat zal inhoudelijk doorgaans betrekking hebben op de standpuntbepaling over voorstellen die langs de reguliere weg zijn ingebracht in het bestuurlijk overleg. Wanneer zich tijdens of vlak voor het overleg nieuwe omstandigheden aandienen, dan dient er uiteraard voldoende ruimte te zijn voor de vertegenwoordigers om tussentijds terug te kunnen koppelen naar de respectievelijke schoolbesturen of het college van burgemeester en wethouders. Positionering openbaar onderwijs Het verdient nadrukkelijk overweging om de vertegenwoordiging van het door de gemeente bestuurde openbaar onderwijs (zowel bij de integrale bestuursvorm als bij de bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet) in het overleg zo helder mogelijk te markeren. Dit kan door middel van aanwijzing van een of meer personen die op titel van vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs deelnemen aan het overleg. 10 Het openbaar onderwijs dat bestuurd wordt door middel van een gemeenschappelijke regeling is in het overleg vertegenwoordigd door een of meer personen die zijn aangewezen door het openbaar lichaam van de gemeenschappelijke regeling. De vertegenwoordiging van de door de gemeente in stand gehouden scholen kan als volgt plaatsvinden: – bij de integrale bestuursvorm: vertegenwoordiger die goed op de hoogte is van de stand van zaken binnen de openbare scholen, schooloverstijgend kan denken en handelen, de belangen van het openbaar onderwijs goed kan behartigen en wiens afvaardiging breed wordt ondersteund binnen het openbaar onderwijs (bijvoorbeeld vanuit een gemeenschappelijk directie overleg openbaar onderwijs en vanuit de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad). – bij de bestuurscommissie: voorzitter of secretaris van de bestuurscommissie of een andere door de bestuurscommissie aangewezen vertegenwoordiger. In relatie tot het bepaalde in het derde lid zou de portefeuillehouder onderwijs als vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs uitgesloten moeten worden. De voorgestelde wijze van vertegenwoordiging van met name het via de integrale bestuursvorm bestuurde openbaar onderwijs laat onverlet dat de uiteindelijke schoolbestuurlijke verantwoordelijkheid ligt bij het college van burgemeester en wethouders en de raad. Het duidelijk positioneren van het openbaar onderwijs in het overleg maakt wel voor alle deelnemers in het overleg goed zichtbaar wanneer de lokale overheid iets inbrengt vanuit de invalshoek van schoolbestuur bij monde van de aangewezen vertegenwoordiger voor het openbaar onderwijs, en wanneer de gemeente in hoedanigheid van lokale overheid bij monde van de voorzitter van het overleg een standpunt inneemt. Hiermee wordt het bestaan van de dubbelrol niet ontkend, maar wel een alternatief geboden om daarmee op voor alle partijen waarneembare wijze om te gaan. Indien het gemeentebestuur bij een integrale bestuursvorm hecht aan vertegenwoordiging in het bestuurlijk overleg van het openbaar onderwijs door de portefeuillehouder onderwijs en het tevens hecht aan een duidelijke scheiding in het overleg van de dubbelrol, dan kan worden overwogen om de gemeente in de hoedanigheid van lokale overheid te laten vertegenwoordigen door één of meer raadsleden. Het betrokken raadslid kan ook als voorzitter fungeren van het overleg. Dit omdat het gezien het onderwerp van het overleg (uiteindelijk onder verantwoordelijkheid van de lokale overheid vast te stellen regelgeving) voor de hand ligt om de vertegenwoordiger van de lokale overheid de voorzittershamer te laten hanteren. Overigens kunnen partijen ook beslissen dat in de persoon van de voorzitter van het bestuurlijk overleg niet de vertegenwoordiger van de lokale overheid is belichaamd. Zo kan gekozen worden voor de formulering dat het bestuurlijk overleg uit zijn midden een voorzitter aanwijst of van ‘buiten’ een onafhankelijk, technisch voorzitter benoemt. Uit het derde lid vloeit voort dat de raad de wettelijke opdracht tot het voeren van overleg delegeert aan burgemeester en wethouders door middel van afvaardiging van de portefeuillehouder onderwijs naar het overleg. De deelname aan het overleg van burgemeester en wethouders in de persoon van de direct verantwoordelijke portefeuillehouder benadrukt – ook vanuit de invalshoek van de lokale overheid – het bestuurlijk karakter van het overleg. Er is daarom niet gekozen voor een ambtelijk vertegenwoordiger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel