Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of niet deel te nemen aan het bestuurlijk overleg. Indien een
bestuur ingaat op de uitnodiging voor het overleg dan wijst het hiervoor een of meer
vertegenwoordigers aan (zie bijvoorbeeld de tekst van artikel 76, vijfde lid WBO). Uiteraard dient de
mogelijkheid te worden geboden dat de vertegenwoordigers, net zo goed als dat het geval zal zijn bij
de vertegenwoordiger van het gemeentebestuur, zich kunnen laten bijstaan door een of meer
adviseurs.
Het eerste lid biedt de mogelijkheid om de omvang van vertegenwoordiging van een schoolbestuur –
uit oogpunt van een effectief overleg – te binden aan een maximum. Bij het gebruik maken van deze
mogelijkheid zal de lokale situatie (aantal schoolbesturen; schaalomvang van de besturen) een rol
spelen. De beruchte ‘Poolse landdagen’ dienen te worden voorkomen.
Wanneer het aantal schoolbesturen in de gemeente bijvoorbeeld zo groot is dat het totaal aantal door
al deze schoolbesturen aan te wijzen vertegenwoordigers (ook al is dit maar één vertegenwoordiger
per bestuur) een vruchtbaar overleg in de weg staat, dan is het aan te bevelen gebruik te maken van
de optie van een gezamenlijke vertegenwoordiging (zie tweede lid).
Naast de in het model opgenomen opties zijn ook nog andere varianten denkbaar, zoals:
– Een vertegenwoordiging per denominatie, waardoor de situatie kan optreden dat niet ieder
schoolbestuur rechtstreeks aan het overleg deelneemt. Ook deze vertegenwoordiging kan
worden gebonden aan een bepaald maximum aantal vertegenwoordigers.
– Het vooraf in de verordening aangeven van de maximumomvang van het overleg (bijvoorbeeld
10 deelnemers namens de schoolbesturen). Aan de gezamenlijke schoolbesturen wordt
overgelaten om deze vertegenwoordiging in te vullen. De representatie wordt daarbij zodanig
ingevuld dat alle schoolbesturen van alle op het grondgebied van de gemeente voorkomende
denominaties zich vertegenwoordigd weten in het overleg.
Aangezien volgens de wet het schoolbestuur zijn vertegenwoordiger aanwijst, is het wel zaak om
ingeval de verordening uitgaat van een (imperatieve) vorm van gezamenlijke vertegenwoordiging het
daarover met alle schoolbesturen eens te zijn.
Voor een effectief overleg is het eveneens belangrijk dat de besturen hun vertegenwoordigers
voldoende mandaat geven voor het voeren van het overleg (innemen standpunten/maken van
afspraken). De gekozen formulering dat de vertegenwoordiger namens zijn bestuur of namens een
aantal besturen deelneemt aan het overleg is daarvan een uitdrukking.
De vertegenwoordigers dienen zich te vergewissen van voldoende mandaat door middel van
gestructureerd vooroverleg met de schoolbesturen die zij vertegenwoordigen. Het mandaat zal
inhoudelijk doorgaans betrekking hebben op de standpuntbepaling over voorstellen die langs de
reguliere weg zijn ingebracht in het bestuurlijk overleg. Wanneer zich tijdens of vlak voor het overleg
nieuwe omstandigheden aandienen, dan dient er uiteraard voldoende ruimte te zijn voor de
vertegenwoordigers om tussentijds terug te kunnen koppelen naar de respectievelijke schoolbesturen
of het college van burgemeester en wethouders.
Positionering openbaar onderwijs
Het verdient nadrukkelijk overweging om de vertegenwoordiging van het door de gemeente
bestuurde openbaar onderwijs (zowel bij de integrale bestuursvorm als bij de bestuurscommissie ex
artikel 82 van de Gemeentewet) in het overleg zo helder mogelijk te markeren. Dit kan door middel
van aanwijzing van een of meer personen die op titel van vertegenwoordiger van het openbaar
onderwijs deelnemen aan het overleg.
10
Het openbaar onderwijs dat bestuurd wordt door middel van een gemeenschappelijke regeling is in
het overleg vertegenwoordigd door een of meer personen die zijn aangewezen door het openbaar
lichaam van de gemeenschappelijke regeling.
De vertegenwoordiging van de door de gemeente in stand gehouden scholen kan als volgt
plaatsvinden:
– bij de integrale bestuursvorm: vertegenwoordiger die goed op de hoogte is van de stand van
zaken binnen de openbare scholen, schooloverstijgend kan denken en handelen, de belangen
van het openbaar onderwijs goed kan behartigen en wiens afvaardiging breed wordt
ondersteund binnen het openbaar onderwijs (bijvoorbeeld vanuit een gemeenschappelijk directie
overleg openbaar onderwijs en vanuit de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad).
– bij de bestuurscommissie: voorzitter of secretaris van de bestuurscommissie of een andere door
de bestuurscommissie aangewezen vertegenwoordiger.
In relatie tot het bepaalde in het derde lid zou de portefeuillehouder onderwijs als vertegenwoordiger
van het openbaar onderwijs uitgesloten moeten worden. De voorgestelde wijze van
vertegenwoordiging van met name het via de integrale bestuursvorm bestuurde openbaar onderwijs
laat onverlet dat de uiteindelijke schoolbestuurlijke verantwoordelijkheid ligt bij het college van
burgemeester en wethouders en de raad.
Het duidelijk positioneren van het openbaar onderwijs in het overleg maakt wel voor alle deelnemers
in het overleg goed zichtbaar wanneer de lokale overheid iets inbrengt vanuit de invalshoek van
schoolbestuur bij monde van de aangewezen vertegenwoordiger voor het openbaar onderwijs, en
wanneer de gemeente in hoedanigheid van lokale overheid bij monde van de voorzitter van het
overleg een standpunt inneemt. Hiermee wordt het bestaan van de dubbelrol niet ontkend, maar wel
een alternatief geboden om daarmee op voor alle partijen waarneembare wijze om te gaan.
Indien het gemeentebestuur bij een integrale bestuursvorm hecht aan vertegenwoordiging in het
bestuurlijk overleg van het openbaar onderwijs door de portefeuillehouder onderwijs en het tevens
hecht aan een duidelijke scheiding in het overleg van de dubbelrol, dan kan worden overwogen om
de gemeente in de hoedanigheid van lokale overheid te laten vertegenwoordigen door één of meer
raadsleden. Het betrokken raadslid kan ook als voorzitter fungeren van het overleg. Dit omdat het
gezien het onderwerp van het overleg (uiteindelijk onder verantwoordelijkheid van de lokale overheid
vast te stellen regelgeving) voor de hand ligt om de vertegenwoordiger van de lokale overheid de
voorzittershamer te laten hanteren.
Overigens kunnen partijen ook beslissen dat in de persoon van de voorzitter van het bestuurlijk
overleg niet de vertegenwoordiger van de lokale overheid is belichaamd. Zo kan gekozen worden
voor de formulering dat het bestuurlijk overleg uit zijn midden een voorzitter aanwijst of van ‘buiten’
een onafhankelijk, technisch voorzitter benoemt.
Uit het derde lid vloeit voort dat de raad de wettelijke opdracht tot het voeren van overleg delegeert
aan burgemeester en wethouders door middel van afvaardiging van de portefeuillehouder onderwijs
naar het overleg. De deelname aan het overleg van burgemeester en wethouders in de persoon van
de direct verantwoordelijke portefeuillehouder benadrukt – ook vanuit de invalshoek van de lokale
overheid – het bestuurlijk karakter van het overleg. Er is daarom niet gekozen voor een ambtelijk
vertegenwoordiger.