Volgens artikel 2.33, lid 2 onder a van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht is het college van burgemeester en wethouders bevoegd
om een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken als
niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning
een begin is gemaakt met het bouwen.
Alleen als er urgente en/of zwaarwegende planologische belangen zijn
wordt van deze bevoegdheid na 26 weken actief gebruik gemaakt. Doen
zich geen urgente en zwaarwegende planologische belangen voor dan
wordt na 104 weken na het onherroepelijk worden van de verleende
vergunning gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.
Er zijn ‘urgente en zwaarwegende planologische belangen’ als voor
het gebied waarbinnen het vergunde object is gesitueerd een
bestemmingsplan in voorbereiding is en het vergunde object het
toekomstig planologisch kader frustreert. Hierbij moet ten minste
sprake zijn van het nemen van een gepubliceerd voorbereidingsbesluit
op grond van artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of
van een ontwerpbestemmingsplan dat op grond van artikel 3.8 van de
Wro ter inzage is gelegd en is gepubliceerd.
Als niet tijdig met de uitvoering van het werk is begonnen wordt aan
de vergunninghouder een voornemen van het intrekken van de
omgevingsvergunning bekend gemaakt volgens artikel 7 van deze
beleidsregels.
Als een zienswijze is ingediend wordt bekeken of de ingediende
zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een ruimere termijn
waarbinnen met het bouwen een begin moet zijn gemaakt.
De termijn bedoeld onder e wordt naar redelijkheid en in het licht
van het concrete geval bepaald, maar bedraagt nooit meer dan 156
weken na het onherroepelijk worden van de verleende
omgevingsvergunning.
Artikel 3
Intrekkingsregeling bij uitblijven aanvang bouw
Onderdeel van Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu gemeente Bladel