4.1 Artikel 59 Woningwet
De Woningwet kent een specifieke regeling voor het intrekken van bouwvergunningen. Het gaat om een limitatief vormgegeven stelstel. Dat betekent dat de gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken, uitputtend in de wet (artikel 59 Woningwet) zijn opgesomd. Buiten de in deze wet genoemde gronden, kan niet tot het intrekken van een bouwvergunning worden overgegaan.
De intrekkingsgronden zijn kort samengevat:
a. onjuiste of onvolledige opgave of het niet tijdig overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 40a Woningwet;
b. het niet voldoen aan een aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde (art. 56 Woningwet);
c. het niet binnen een in de bouwverordening aan te geven termijn (26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning, artikel 4.1 Bouwverordening) beginnen van de bouwwerkzaamheden;
d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn (26 weken artikel 4.1 Bouwverordening) hebben stilgelegen;
e. op verzoek van de vergunninghouder;
f. indien gevaar bestaat dat de bouwvergunning gebruikt wordt om criminele activiteiten te ontplooien of te continueren, dan wel ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd (artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur: Wet BIBOB).
De wetgever wil met de invoering van de Grondexploitatiewet (Grexwet) een intrekkingsgrond toevoegen aan de Woningwet; namelijk de mogelijkheid om bij het niet (tijdig) betalen van de exploitatiebijdrage de bouwvergunning in te trekken. Deze wetswijziging heeft nog niet plaatsgevonden.
Hieronder zal verder ingegaan worden op het intrekken van de bouwvergunning wegens het niet tijdig beginnen van de bouwwerkzaamheden en wegens een langdurig oponthoud in de werkzaamheden (artikel 59 lid 1 sub c en d van de Woningwet). De overige intrekkingsgronden zullen hier buiten beschouwing blijven.
4.2 Artikel 59 lid 1 sub c en d Woningwet
Op grond van artikel 59 lid 1 sub c en d van de Woningwet in samenhang met artikel 4.1. van de Bouwverordening is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een verleende bouwvergunning in te trekken indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt of indien de reeds gestarte werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
Het intrekken van een bouwvergunning kan, zoals blijkt uit de wettekst (art. 59 Woningwet) en de jurisprudentie, ook gedeeltelijk geschieden (ABRvS 29 december 2004, nr. 200403443/1).
In de uitspraak van ABRvS, 24 september 2003, nr. 200302060/1 is bovendien uitdrukkelijk overwogen dat een gewijzigd planologisch regime niet persé aanwezig behoeft te zijn om de bouwvergunning in te kunnen trekken. Het feit dat de vergunninghouder niet binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn met de bouwwerkzaamheden is begonnen en hij bovendien niet aannemelijk kan maken dat hij binnen afzienbare tijd alsnog met de bouw begint, vormen voldoende redelijk belang om de bouwvergunning in te trekken.
Bij het intrekken van een bouwvergunning zal altijd een afweging gemaakt moeten worden tussen de belangen van de vergunninghouder bij het instandhouden van de vergunning en die van het college bij intrekking daarvan.
Wanneer kan worden gezegd dat met de bouwwerkzaamheden is begonnen? Uit art. 59, eerste lid 1 sub c van de Woningwet in samenhang met artikel 4.1 van de Bouwverordening vloeit voort dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn een verleende bouwvergunning in te trekken indien binnen 26 weken – na het onherroepelijk worden daarvan – niet met het bouwen is begonnen. Een relevante vraag is wanneer gezegd kan worden dat 'begonnen is met de bouwwerkzaamheden'. Een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 december 2003 biedt houvast omtrent de gestelde vraag. In deze zaak ging het om een ingetrokken bouwvergunning die 12 jaar eerder was verleend. De bouwvergunning had betrekking op de bouw van een bedrijfswoning met werkplaats en stallingsruimte. Door de vergunninghouder werd in deze casus betoogd dat hij met de bouwwerkzaamheden was begonnen, omdat hij een aannemer een offerte had laten uitbrengen, de gemeente het peil had laten bepalen, bouwplanken had geplaatst en voorts een aanwezige grasmat had verwijderd. De Afdeling is bij al deze werkzaamheden tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een 'begin van bouwwerkzaamheden'. Indien een relatie wordt gelegd met jurisprudentie aangaande de uitleg van het begrip 'bouwen' zoals bedoeld in art. 1 van de Woningwet, dan is van bouwen pas sprake ingeval een constructieve handeling wordt verricht waarbij een constructie van enige omvang wordt gemaakt die tevens plaatsgebonden is.
4.3 Art 56a Woningwet Intrekken bouwvergunning 1e fase
Bij bouwvergunningverlening in 2 fasen (procedurele bouwvergunningverlening) bestaat het risico dat een bouwplan dat in de 1e fase instemming kreeg, door wijziging in de loop der tijd niet meer voldoet aan de voorschriften waaraan in de 1e fase is getoetst. Burgemeester en wethouders kunnen daarom de bouwvergunning 1e fase intrekken indien niet binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van die beslissing een aanvraag voor de 2e fase is ingediend. (artikel 56a lid 6b Woningwet).
Indien burgemeester en wethouders een vergunning niet al hebben ingetrokken vervalt de vergunning 1e fase na twee jaar van rechtswege (artikel 56a lid 7 Woningwet). Dit om te voorkomen dat burgemeester en wethouders veel later alsnog worden geconfronteerd met de aanvraag voor de 2e fase.