Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Te volgen werkwijze en procedure

Onderdeel van Intrekkingsbeleid bouwvergunning

Het is niet mogelijk een bouwvergunning van rechtswege te laten vervallen, met uitzondering van het vervallen van de bouwvergunning 'eerste fase' van rechtswege na een periode van twee jaar indien niet binnen twee jaren na het onherroepelijk worden ervan een aanvraag om bouwvergunning 'tweede fase' is ingediend (artikel 56a, lid 7 van de Woningwet). Aangezien de bevoegdheid tot het intrekken van bouwvergunningen een discretionaire betreft, zal bij het intrekken van bouwvergunningen altijd sprake moeten zijn van een belangenafweging. Zoals is aangegeven in paragraaf 3.1 zijn een zestal intrekkingsgronden in art. 59 van de Woningwet opgenomen. Slechts bij twee intrekkingsgronden speelt tijd (het moment) waarop overgegaan wordt tot intrekking een rol; het betreft namelijk de gronden zoals weergegeven onder lid 1 sub c en d van de Woningwet. Zo kan met betrekking tot de intrekkingsgronden onder sub a, b en f (indien sprake is van een van de intrekkingsgronden) op ieder gewenst moment gestart worden met de procedure. Wat betreft de intrekkingsgronden onder c en d speelt de termijn waarop een intrekkingsprocedure gestart kan worden wel een rol (minimaal 26 weken). De werkwijze en procedure omtrent het intrekken van bouwvergunningen spitst zich toe op de gevallen waarin niet (tijdig) is begonnen met de bouw (sub c van art. 59 Woningwet) of dat wel is begonnen maar er sprake is van een vertraging gedurende een bepaalde periode (sub d van art. 59 Woningwet). In de onderstaande werkwijze en procedure wordt onderscheid gemaakt tussen nog te vergunnen en reeds vergunde woningbouwontwikkelingen. Bij nog te vergunnen woningbouwontwikkelingen van één of meerdere woningen wordt vergunninghouder in het kader van de vergunningverlening er altijd op gewezen dat als een onherroepelijke bouwvergunning na 26 weken niet gebruikt is, het college op basis van de Woningwet in samenhang met de gemeentelijke Bouwverordening bevoegd is om de bouwvergunning in te trekken. Bij reeds vergunde woningbouwontwikkelingen waarin niet (tijdig) is begonnen met de bouw (sub c van art. 59 Woningwet) of dat wel is begonnen maar er sprake is van een vertraging van langer dan 26 weken (sub d van art. 59 Woningwet) wordt de volgende procedure en werkwijze gehanteerd: 1) Indien niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning begonnen is met de bouwwerkzaamheden of gedurende deze periode vertraging (van langer dan 26 weken) plaatsvindt van de bouwwerkzaamheden terwijl daarmee was aangevangen, dan ontvangt vergunninghouder een brief waarin het voornemen tot het intrekken van de bouwvergunning wordt kenbaar gemaakt. In de vooraankondiging wordt vergunninghouder een periode van 4 weken gegund om te reageren op het voornemen tot intrekking middels een schriftelijke dan wel mondelinge zienswijze (art. 4:8 Awb). Desgewenst kan vergunninghouder ook gebruik maken van de mogelijkheid om gehoord te worden. 2) Indien geen schriftelijke dan wel mondelinge reactie (zienswijze) is ontvangen van vergunninghouder op de brief (vooraanschrijving) binnen de aangegeven periode van 4 weken, wordt besloten de bouwvergunning in te trekken. 3) In het geval de vergunninghouder wel reageert op het voornemen tot intrekking, wordt afhankelijk van de argumenten die worden aangevoerd inzake het niet (tijdig) uitvoeren van de bouwvergunning, besloten of al dan niet tot intrekking wordt overgegaan. Redenen om (voorlopig) af te zien van het intrekken van een bouwvergunning kunnen onder meer zijn: * nadere (contractuele) afspraken tussen vergunninghouder en gemeente over de aanvang van de bouwwerkzaamheden; * familiaire kwesties (overlijden, ziektes); * andere onvoorziene omstandigheden. De genoemde punten dienen op een kenbare en aantoonbare wijze te worden onderbouwd. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om dit te beoordelen en hier een standpunt over in te nemen. Terughoudend dient te worden omgegaan met argumenten die samenhangen met (juridische conflicten) met een aannemer of andere financiële gevolgen. Ingeval het college naar aanleiding van de reactie (zienswijze) van vergunninghouder wenst af te zien van het intrekken van de bouwvergunning, dan wordt aan vergunninghouder een termijn gegund waarbinnen alsnog overgegaan dient te worden tot het uitvoeren van de bouwvergunning. Per individueel geval wordt een redelijke termijn (van maximaal één jaar) gesteld waarbinnen met de bouwwerkzaamheden moet zijn aangevangen. Bij het laten verstrijken van deze termijn, kan zonder vooraanschrijving overgegaan worden tot het intrekken van de bouwvergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel