**1..** De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend:
a. indien niet met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld over de te
verwachten schadelijkheid van de lozing voor de riolering, of
b. indien de lozing een tijdelijk karakter zal hebben, dan wel
c. indien een aan de gemeente verleende vergunning voor het brengen van
het rioolwater in oppervlaktewater of naar een
rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering
is aangesloten tot het verlenen van een vergunning voor een bepaalde
termijn noopt.
**2..** In het geval, bedoeld in het voorgaande lid, aanhef en onder a, wordt
de vergunning verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar.
Burgemeester en Wethouders kunnen deze termijn op aanvraag van de houder
van de vergunning, eenmaal met ten hoogste twee jaar, verlengen. De
verlenging moet ten minste zesentwintig weken voor het einde van die
termijn worden aangevraagd. Artikel 8, eerste tot en met zevende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
**3..** Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin van het
voorgaande lid, blijft de vergunning van kracht zolang op een tijdig
ingediende aanvraag nog niet is beschikt, alsmede gedurende de voor
beroep opengestelde termijn en de behandeling van het beroep. De
vergunning houdt echter in ieder geval op te gelden wanneer het van
kracht blijven een toestand zou oproepen die strijd oplevert met een aan
de gemeente verleende vergunning voor het brengen van het rioolwater in
oppervlaktewater of naar een rioolzuiveringsinstallatie of enig ander
werk waarop de riolering is aangesloten.