Naar hoofdinhoud

Artikel 11

Tijdelijke vergunning

Onderdeel van Lozingsverordening Riolering 1990 III

1.. De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend: a. indien niet met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld over de te verwachten schadelijkheid van de lozing voor de riolering, of b. indien de lozing een tijdelijk karakter zal hebben, dan wel c. indien een aan de gemeente verleende vergunning voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten tot het verlenen van een vergunning voor een bepaalde termijn noopt. 2.. In het geval, bedoeld in het voorgaande lid, aanhef en onder a, wordt de vergunning verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Burgemeester en Wethouders kunnen deze termijn op aanvraag van de houder van de vergunning, eenmaal met ten hoogste twee jaar, verlengen. De verlenging moet ten minste zesentwintig weken voor het einde van die termijn worden aangevraagd. Artikel 8, eerste tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin van het voorgaande lid, blijft de vergunning van kracht zolang op een tijdig ingediende aanvraag nog niet is beschikt, alsmede gedurende de voor beroep opengestelde termijn en de behandeling van het beroep. De vergunning houdt echter in ieder geval op te gelden wanneer het van kracht blijven een toestand zou oproepen die strijd oplevert met een aan de gemeente verleende vergunning voor het brengen van het rioolwater in oppervlaktewater of naar een rioolzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel