Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Verbod schadelijke stoffen te lozen

Onderdeel van Lozingsverordening Riolering 1990 III

1.. Het is verboden, anders dan bij normaal huishoudelijk gebruik, op de riolering stoffen te lozen die voor de riolering of voor de daarop aangeslotenen gevaar, schade of hinder kunnen opleveren. 2.. Onder voor de riolering of de daarop aangeslotenen gevaar, schade of hinder opleverende stoffen worden in ieder geval verstaan: a. stoffen met een temperatuur van meer dan 30 graden Celsius; b. waterige oplossingen met een pH lager dan 6,5 of hoger dan 8,5 bij een zogenaamd etmaalmonster, respectievelijk 10 bij een zogenaamd steekmonster (piekwaarde), alsmede zuren en basen die niet in water zijn opgelost; c. stoffen met een sulfaatgehalte van meer dan 300 mg per liter; d. stoffen die verstopping of beschadiging van de riolering of van daaraan verbonden installaties kunnen eroorzaken; e. oliën, vetten en andere niet met water mengbare vloeistoffen en emulsies; f. stoffen die brand- of explosiegevaar kunnen veroorzaken; g. Stoffen die stankoverlast kunnen veroorzaken. 3.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de gevallen waarin een vergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verleend, dan wel artikel 4 toepassing heeft gevonden. 4.. Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in het eerste lid. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, strekkende tot de bescherming van het belang van de goede werking van de riolering, van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt en de bescherming van de belangen van derden tegen nadelen welke hieruit kunnen voortvloeien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel