**1..** Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders in de
uitoefening van een beroep of bedrijf afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen op de riolering te lozen.
**2..** Onder afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen worden voor
de toepassing van dit artikel in ieder geval verstaan:
a. stoffen, waarvan de vervuilingswaarde, uitgedrukt in
inwonerequivalenten, meer bedraagt dan 100, berekend volgens bijlage I,
onder D, sub I, van het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren;
b. afvalwater, koelwater daaronder begrepen, in gemiddelde hoeveelheden
van meer dan 25 m3 per etmaal, tenzij dit afvalwater uitsluitend is
samengesteld uit stoffen welke ook in het kader van het normale gebruik
dat van een voor bewoning bestemd gebouw pleegt te worden gemaakt,
worden geloosd;
c. de volgende stoffen, voor zover deze stoffen in de uitoefening van
het beroep of bedrijf aan het afvalwater dat op de riolering wordt
geloosd, zijn toegevoegd:
- organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke
verbindingen kunnen ontstaan;
- organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en
stoffen waaruit dergelijke verbindingen in het water kunnen ontstaan,
met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die in
water snel worden omgezet in onschadelijke stoffen;
- fenolen, mercaptanen en andere stoffen die reeds in zeer geringe
concentratie reuk- of smaakbezwaren opleveren;
- persistente minerale oliën en uit aardolie bereide persistente
koolwaterstoffen;
- antimoon, arsenicum, barium, beryllium, borium, cadmium, chroom,
kobalt, koper, kwikzilver, lood, molybdeen, nikkel, selenium, tin,
titanium, thallium, tellurium, uranium, vanadium, zilver, zink en
verbindingen van deze elementen;
- cyaanwaterstofzuur, fluorwaterstofzuur, alsmede de van deze zuren
afgeleide zouten;
- elementair fosfor en organische fosforverbindingen; - stoffen die
kankerverwekkend zijn en stoffen waarvan in redelijkheid verwacht mag
worden dat zij kankerverwekkende eigenschappen hebben;
- biociden voor zover deze niet reeds onder de hiervoor genoemde stoffen
vallen;
- persistente door de mens gesynthetiseerde verbindingen, voor zover
niet reeds onder voorgaande genoemd;
- stoffen die ongunstig inwerken op de zuurstofbalans, met name ammoniak
en nitrieten.
Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing op stoffen,
aangewezen krachtens artikel 1, lid 2, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren en op lozingen vanuit soorten van inrichtingen
aangewezen krachtens evengenoemde wetsbepaling.