Naar hoofdinhoud
1.. De ambtenaren, zie zonder eigen pensioen den dienst verlaten, kunnen het recht op pensioen voor hunne weduwen en weezen behouden, mits zij het verlangen daartoe binnen 90 dagen na het ontslag schriftelijk aan Burgemeester en Wethouders te kennen geven en voortaan een bedrag storten volgens een door Burgemeester en Wethouders vast te stellen tarief. 2.. Zij kunnen met die storting te allen tijde ophouden, doch haar daarna nimmer hervatten. 3.. Zij verliezen alle aanspraak op uitkeering ten behoeve van hunne weduwen en weezen, indien zij hunne verplichting om bij te dragen gedurende één jaar niet zijn nagekomen. 4.. Indien zij binnen dat jaar overlijden, worden de nog door hen verschuldigde bijdragen op het weduwen- en weezenpensioen gekort, op de wijze, door Burgemeester en Wethouders te bepalen. 5.. Zoo degenen, die van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, na het ontslag in het huwlijk treden, hebben hunne weduwen en hunne uit dat huwlijk geboren kinderen, of wel indien het vrouwelijke ambtenaren geldt, hare uit dat huwlijk geboren kinderen geene aanspraak op pensioen. 6.. Indien een ambtenaar, die van de in het 1e lid van dit artikel verleende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, in Gemeentedienst herplaatst wordt, kan hij de bovenbedoelde verzekering voor weduwen- en weezenpensioen tegen evenredig verminderde storting voortzetten, indien en voor zoover het bedrag van het uit te keeren weduwen- en weezenpensioen, krachtens dit artikel, hooger is dan dat, waarop hij in verband met zijne nieuwe betrekking krachtens artikel 17 recht zou hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel