Naar hoofdinhoud
1.. Het pensioen bedraagt voor elk vol tijdvak van drie maanden, gedurende welk het ambt van wethouders is bekleed, één achtenveertigste deel van de laatstelijk genoten wedde. 2.. Het maximum-pensioen bedraagt niet meer dan de helft der laatstelijk genoten wedde en ten hoogste f 4.800,00. 3.. Bij de berekening van het pensioen komt de tijd, gedurende welke het wethouderschap tijdelijk is waargenomen, niet in aanmerking. 4.. Evenzeer blijft buiten aanmerking de tijd, gedurende welke de wethouder anders dan wegens ziekte afwezig is geweest, zo die afwezigheid langer dan 6 achtereenvolgende maanden heeft geduurd. 5.. Het pensioen vervalt, wanneer de rechthebbende weder als wethouder dezer Gemeente optreedt.

Rechtspraak bij dit artikel