Naar hoofdinhoud
1.. Het ingevolge deze verordening toegekende of toe te kennen pensioen als gewezen wethouder, aan wie een eigen pensioen wordt toegekend, onderscheidenlijk is toegekend op grond van een andere regeling ten laste van het Rijk, van de Republiek Indonesië, van Suriname, van de Nederlandse Antillen, van Nieuw-Guinea, van een publiekrechtelijk lichaam in een dezer gebieden of van een door het openbaar gezag in een dezer gebieden ingesteld fonds, wordt op de voet van het bepaalde in het derde lid beperkt, indien het totaal zijner pensioenen meer zou bedragen dan f 4.800,00 of komt hem een pensioen als gewezen Minister toe, dan f 6.000,00 dan wel, indien het op de voet van artikel 69 der Pensioenwet 1922 (S. no. 240) berekende grensbedrag hoger is dan f 4.800,00, onderscheidenlijk f 6.000,00, dan dit grensbedrag. 2.. Voor de berekening van het totaal der pensioenen, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de pensioenverhogingen, gegrond op de artikelen 17, 18 en 19 der Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en der Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke marine-reserve en het reserve personeel der landmacht 1923 en daarmede overeenkomende bepalingen in andere wetten. 3.. Het in het eerste lid bedoelde, ingevolge deze verordening toegekende dan wel toe te kennen pensioen wordt beperkt tot een zodanig gedeelte van f 4.800,00, onderscheidenlijk f 6.000,00, dan wel van het grensbedrag, bedoeld aan het slot van dat lid, als evenredig is aan de verhouding, waarin dat pensioen staat tot het totaal der pensioenen, bedoeld in het eerste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel