**1..** Recht op wezenpensioen hebben:
de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van een overleden mannelijk wethouder, of van een mannelijk wethouder, die pensioen volgens deze verordening genoot of daar aanspraak of uitzicht kon doen gelden, tenzij zij geboren zijn uit huwelijken, gesloten na het tijdstip, waarop hij ophield wethouder te zijn of uit huwelijken, na het bereiken van de 65-jarige leeftijd gesloten;
de minderjarige wettige of gewettigde ouderloze kinderen van een overleden vrouwelijk wethouder of van een vrouwelijk wethouder, die pensioen volgens deze verordening genoot of daarop aanspraak of uitzicht kon doen gelden, tenzij zij geboren zijn uit huwelijken, gesloten na het tijdstip, waarop zij ophield wethouder te zijn.
**2..** Geen recht op wezenpensioen hebben de wezen van een tijdelijk wethouder.
Paragraaf III.
Artikel 14