**1..** Recht op wezenpensioen hebben:
de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van hem, die overlijdt als wethouder, tenzij zij zijn geboren uit een huwelijk, gesloten nadat hun vader de leeftijd van 65 jaren had bereikt, of tenzij zij na dat tijdstip zijn gewettigd;
de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van haar, die overlijdt als wethouder, tenzij zij zijn gewettigd, nadat hun moeder de leeftijd van 65 jaren had bereikt;
de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van hem, die overlijdt als gewezen wethouder, tenzij zij zijn geboren uit een huwelijk, gesloten nadat hun vader had opgehouden wethouder te zijn of nadat hij de leeftijd van 65 jaren had bereikt, of tenzij zij na dat tijdstip zijn gewettigd;
de minderjarige wettige of gewettigde kinderen van haar, die overlijdt als gewezen wethouder, tenzij zij zijn geboren uit een huwelijk, gesloten nadat hun moeder had opgehouden wethouder te zijn, of tenzij zij zijn gewettigd na dat tijdstip of nadat hun moeder de leeftijd van 65 jaren had bereikt.
**2..** Pleegkinderen van een overleden wethouder of van een overleden gewezen wethouder, die gedurende de laatste vijf jaren, voorafgaande aan de datum van zijn overlijden, deel hebben uitgemaakt van zijn gezin en geheel als eigen kinderen door hem zijn onderhouden en opgevoed en voor wie gedurende dat tijdvak aanspraak heeft bestaan op kinderaftrek voor de Rijksbelastingen naar inkomen, loon en/of vermogen of zou hebben bestaan, indien de op 31 december 1951 geldende bepalingen van de wetgeving betreffende genoemde belastingen van kracht waren gebleven, staan ten opzichte van het recht op wezenpensioen gelijk met eigen kinderen.
**3..** Geen recht op wezenpensioen hebben de wezen van hem, die het wethouderschap slechts tijdelijk heeft waargenomen.
**4..** Geen recht op wezenpensioen hebben de wezen van hem, te wiens aanzien de Gemeenteraad tot toepassing van artikel 7, derde lid, heeft besloten, ten de Raad anders bepaalt.