Naar hoofdinhoud
1.. Het weduwenpensioen bedraagt de helft van het pensioen, waarop de overleden wethouder als wethouder zonder toepassing van artikel 9 aanspraak of uitzicht zou hebben gehad, indien hij op de dag van zijn overlijden had opgehouden wethouder te zijn of waarop de overleden gewezen wethouder als zodanig zonder toepassing van artikel 9 aanspraak of uitzicht had. 2.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, bedraagt het pensioen van de weduwe van hem, die overlijdt als wethouder vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaren of als gewezen wethouder in de periode, waarover hem een uitkering als bedoeld in artikel 1, is toegekend, de helft van het pensioen waarop de wethouder of gewezen wethouder als zodanig zonder toepassing van artikel 9 ten hoogste aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaren had opgehouden wethouder te zijn. 3.. Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een weduwe recht ontstaat zowel op een weduwenpensioen krachtens deze verordening als op een ander weduwenpensioen krachtens of op de voet van de Wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455) of krachtens de Wet van 31 juli 1957 (Stb. 324) wordt tijd, welke zowel voor de regeling van eerstbedoeld pensioen als voor de regeling van het andere pensioen medetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts dan medegeteld voor de regeling van het pensioen krachtens deze verordening, indien die tijd bij laatstbedoeld pensioen het hoogste bedrag oplevert.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel