De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80%, gedurende het tweede jaar 65% en vervolgens 50% van de voor het ambt vastgestelde wedde, waaronder worden begrepen de toelagen, welke in de pensioenregeling zouden zijn opgenomen, indien de wethouder als zodanig ambtenaar in de zin van de Pensioenwet 1922 (Stb. 240) was geweest, zomede voor de toepassing van deze paragraaf de eventuele kindertoelage, welke belanghebbende zou hebben genoten, indien hij wethouder was gebleven.