Naar hoofdinhoud
1.. De uitkering wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak, waarin belanghebbende laatstelijk zonder wezenlijke onderbreking wethouder is geweest, doch ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. 2.. Ingeval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 5, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. 3.. Burgemeester en Wethouders kunnen in bijzondere gevallen bepalen, dat de uitbetaling van de uitkering wordt voortgezet voor een met inachtneming van het bepaalde in artikel 5 vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden verlengd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel