Naar hoofdinhoud
1.. De artikelen 1 t/m 4, 7, 8 en 12 t/m 16 zullen geen toepassing vinden en in de plaats daarvan zullen de daarmede overeenkomende artikelen van de “Wethouderspensioenverordening 1936” (Verz. 1937, no. 24) of van de daarbij gehandhaafde vroegere regelingen van overeenkomstige toepassing zijn ten aanzien van: hem, die op 31 augustus 1956 als gewezen wethouder aanspraak of uitzicht op pensioen had en binnen zes maanden na de datum van de vaststelling van deze verord-ning schriftelijk aan Burgemeester en Wethouders de wens daartoe te kennen geeft; hem, die op 31 augustus 1956 het ambt van wethouder bekleedde en binnen zes maanden na het tijdstip, waarop hij ophoudt wethouder te zijn, schriftelijk aan Burgemeester en Wethouders de wens daartoe te kennen geeft. 2.. De aanspraken op en het bedrag van het pensioen van de weduwe en/of wezen van de in het eerste lid bedoelde gewezen wethouder, die overlijdt vóórdat hij de daar bedoelde wens te kennen heeft gegeven, worden vastgesteld met inachtneming van de voor belanghebbende meest gunstige regeling. Het bepaalde in de vorige volzin is eveneens van toepassing ten aanzien van het pensioen van de weduwe en/of wezen van hem, die op 31 augustus 1956 het ambt van wethouder bekleedde en tijdens zijn ambtsperiode komt te overlijden.

Rechtspraak bij dit artikel