Naar hoofdinhoud
1.. Het pensioen bedraagt voor elk dienstjaar als wethouder 3 ½ % van de laatstelijk als zodanig genoten wedde, waaronder worden begrepen de toelagen, welke in de pensioengrondslag zouden zijn opgenomen, indien de wethouder als zodanig ambtenaar in de zin van de Pensioenwet 1922 (Stb. 240) was geweest, met dien verstande, dat niet meer dan 20 dienstjaren in aanmerking worden genomen. 2.. Bij de berekening van het pensioen komt de tijd, gedurende welke het wethouderschap tijdelijk is waargenomen, niet in aanmerking. 3.. Evenzeer blijft buiten aanmerking de tijd, gedurende welke de wethouder anders dan wegens ziekte afwezig is geweest, indien die afwezigheid langer dan zes achtereenvolgende maanden heeft geduurd.

Rechtspraak bij dit artikel