**1..** Indien naast het pensioen als gewezen wethouder een ander eigen pensioen wordt genoten en het totaal dier pensioenen meer zou bedragen dan het in de overeenkomstige bepaling in artikel 35 van de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455) genoemde bedrag, wordt eerstbedoeld pensioen beperkt tot een zodanig gedeelte van dat bedrag, als evenredig is aan de verhouding, waarin dat pensioen staat tot het totaal dier pensioenen.
**2..** Onder een ander eigen pensioen wordt in dit artikel verstaan een eigen pensioen ten laste van de Nederlandse Schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten last van Suriname, van de Nederlandse Antillen, van Nederlands Nieuw-Guinea, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in een der evengenoemde gebieden, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland of in een van die gebieden ingesteld fonds.
**3..** Indien het bedrag van het andere eigen pensioen dan wel het hoogste bedrag, waarop dat pensioen, berekend naar de maximaal in aanmerking komende diensttijd, kan worden toegekend, meer bedraagt dan het in de bepaling in artikel 35 van de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455) genoemde bedrag, treedt dat hogere bedrag voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van het in de overeenkomstige bepaling in artikel 35 van de wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455) genoemde bedrag.
**4..** Voor de berekening van het totaal der pensioenen bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de pensioenverhogingen, gegrond op de artikelen 17, 18 en 19 der Pensioenwetten voor de zee- en landmacht 1922 en de Pensioenwetten voor het personeel der Koninklijke Marinereserve en het reserve-personeel der landmacht 1923 en daarmede overeenkomende artikelen van wetten, welke van kracht zijn geweest vóór de totstandkoming van genoemde wetten.