Het bevoegd gezag kan vergunning verlenen voor graafwerk en
bodemingrepen in gemeentelijke archeologische
monumenten.
Alvorens een vergunning te verlenen als bedoeld in lid 1,
wint het bevoegd gezag overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.26 lid 3 Wabo advies in van
een deskundige op het terrein van de archeologische
monumentenzorg.
Het bevoegd gezag kan alleen vergunning verlenen indien het
toezicht en de bescherming van het gemeentelijke
archeologische monument is geregeld door:
de mogelijkheid van toegang van door het bevoegd gezag aan
te wijzen personen op het terrein;
de mogelijkheid van de onder a) genoemde personen om - in
overleg en in samenspraak met het college van Burgemeester
en Wethouders - graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden te
(laten) verrichten,
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1
onder b dan wel artikel 2.2 lid 1 onder d Wabo kan slechts
worden verleend indien vooraf door de aanvrager daarvan
indien vooraf door aanvrager van de een omgevingsvergunning
als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b dan wel artikel 2.2
lid 1 onder d Wabo door middel van archeologisch
vooronderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse
Archeologie naar het oordeel van het bevoegd gezag in
voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de
bodemingrepen:
de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker
gesteld; of
er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden
geschaad.
Het bevoegd gezag vraagt advies aan de welstand- en
erfgoedcommissie voordat het beslist op de aanvraag van een
vergunning op grond van artikel 16, lid 2.
Binnen zes weken na de adviesaanvraag brengt de welstand- en
erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag.
Het bevoegd gezag kan aan de verlening van de vergunning op
basis van artikel 2.22 Wabo en artikel 5.2 van het Besluit
omgevingsrecht voorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen
waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt,
te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op
het terrein van de archeologische monumentenzorg,
De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het bevoegd gezag in situ
behouden dienen te blijven.
HOOFDSTUK 3
Artikel 17
Vergunning gemeentelijke archeologische monumenten
Onderdeel van Archeologieverordening Gemeente Geldrop-Mierlo 2009