Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 3.1

Inleiding

Onderdeel van Beleidsnota antenne-installaties, gemeente Eemnes

Mobiel bellen is tegenwoordig niet meer weg te denken uit onze samenleving. Het plaatsen van zend- en ontvangstinstallaties is daarom onontkoombaar. Derhalve is meewerken aan een landelijk dekkend netwerk van installaties het uitgangspunt. Het wordt van belang geacht dat de antenne-installaties op een stedenbouwkundig en maatschappelijk verantwoorde wijze worden ingepast. Om tot een stedenbouwkundige en maatschappelijk verantwoorde inpassing van antenne-installaties te komen, worden in onderhavige nota richtlijnen opgesteld voor de toelaatbaarheid van de installaties. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten geformuleerd voor plaatsing van antenne-installaties, waarbij de kwaliteit en kleinschalige karakter van onze gemeente in samenhang wordt gezien met de beleidsvrijheid die we als gemeentebestuur hebben. Voorkomen moet worden dat door plaatsing van antennemasten een woud aan antennes ontstaat waardoor uit oogpunt van horizonvervuiling, aantasting van het woongenot en de kwaliteit van de woonomgeving een negatieve situatie ontstaat. Op grond van het beleid zoals geformuleerd in de Nota Nationaal Antennebeleid zullen medio 2002 met het inwerkingtreden van de nieuwe Woningwet antenne-installaties tot en met 5 meter hoog vergunningvrij worden. Voor deze in te toekomst vergunningvrije antenne-installaties kunnen gemeenten nadere regels stellen omtrent de inpassing van antenne-installaties in de omgeving. Hierdoor worden de gemeenten in de gelegenheid gesteld om in aansluiting op het lokale welstandsbeleid en de lokale situatie en wensen objectieve eisen te formuleren in de vorm van zogenaamde loketcriteria inzake de techniekkast, bekabeling en situering van de antennedrager en gevelantennes. Bij het formuleren van het onderhavige beleid voor antenne-installaties zal zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de toekomstige wetgeving en beleidsmogelijkheden, zodat de huidige vergunningaanvragen zoveel mogelijk in hetzelfde kader worden behandeld als in de toekomstige situatie. Dit houdt in dat voor antenne-installaties tot en met 5 meter hoogte indien nodig alleen nadere voorwaarden zullen worden gesteld inzake de techniekkast, bekabeling en situering van de antenne(drager) en gevelantennes. Bij het opstellen van het beleid is rekening gehouden met het advies van de Rijksdienst voor Radiocommunicatie (RDR) d.d. 28 mei 2001 over de technische voorwaarden bij het plaatsen van antenne-installaties op gebouwen. Dit advies is gevraagd naar aanleiding van de behandeling van de conceptnota GSM-installaties in de raadscommissie van 13 februari 2001. De RDR geeft aan dat bij plaatsing van antennes centraal op het (platte) dak van een gebouw bij een maximum masthoogte van 5 meter en een minimale verticale afstand tussen het dak en de antenne van 2 meter, het dakvlak maximaal 30 meter breed kan zijn, zonder dat er storing optreedt door schaduwwerking. In een mast van 5 meter hoog kunnen in principe twee antenne-installaties van twee verschillende operators worden geplaatst. De kans op onderlinge storing is het geringst wanneer antennes van verschillend operators boven elkaar worden geplaatst. Wanneer ze in twee of meer masten worden geplaatst zal er een afstand van 2 tot 18 meter moeten worden aangehouden om storing te vermijden. Deze afstand is afhankelijk van de richting en de versterking van de antenne en de gebruikte frequentieband (900 MHz of 1800 MHz).

Rechtspraak bij dit artikel