Bij de vraag of op een bepaalde locatie een antenne-installatie mag worden geplaatst, is naast een stedenbouwkundige afweging ook een afweging nodig op het gebied van de volksgezondheid. Bij mobiele telefonie wordt gebruik gemaakt van radiofrequente golven. Een aantal internationale samenwerkingsverbanden, zoals de International Commission on Non-ionizing Radiation Protection (ICNIRP) heeft onderzoek gedaan naar de gezondheidsaspecten van radiogolven van antennes en masten. Ook Nederland heeft zitting in deze commissie. Het ministerie van VROM heeft in samenwerking met de Inspectie voor de Volksgezondheid een onderzoek uitgevoerd naar de biomedische aspecten van dergelijke golven. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de "Richtlijn voor radiofrequente straling bij zendinrichtingen". In deze richtlijn zijn aanbevelingen opgenomen over blootstellinglimieten voor radiofrequente golven (gezondheidsbeschermingsniveaus). Bij de totstandkoming van de richtlijn is gebruik gemaakt van de bevindingen van de International Radiation Protection Association, een associatie van nationale stralingsbeschermingverenigingen. Deze associatie heeft normen geformuleerd met betrekking tot de bescherming van de volksgezondheid tegen mogelijke schadelijke gevolgen van blootstelling aan radiofrequente golven.
De Gezondheidsraad heeft tevens een advies uitgebracht over blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische golven en velden van onder meer zendmasten. Voor wat betreft de gezondheidsniveaus wijkt het advies niet wezenlijk af van de aanbevelingen van de bovengenoemde "Richtlijn voor radiofrequente straling bij zendinrichtingen".
In augustus 1999 is de brochure “Informatie over antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie” van de Ministeries van VROM, V&W, SZW en VWS verschenen. Het wetenschappelijk onderbouwde standpunt daarin is, dat bij antenne-installaties tot vijf meter hoog, met de antenne boven de mast, die op een gebouw zijn geplaatst, de sterkte van het elektromagnetische veld in de ruimte onder het dak minder dan 1% van de advieswaarde van de Gezondheidsraad bedraagt. Op het dak zelf wordt de advieswaarde ook niet overschreden. Ook bij combinaties van antennes op één punt blijven de sterktes ruim beneden de advieswaarde. Voor het horizontale vlak geldt, dat slechts binnen een afstand van minder dan 3 meter recht voor de antenne de advieswaarden overschreden zouden kunnen worden. In verticale richting geldt een afstand van 0,5 meter.
Als vuistregel kan aangehouden worden dat in de vrije ruimte de minimale afstand tot de antennes in de bundel (recht voor de antenne) 3 meter moet zijn en daarbuiten (achter, onder en naast de antenne) 2,5 meter, zodat mensen die zich op het dak moeten begeven 'veilig' kunnen werken. Dit komt overeen met de zogenaamde ICNIRP-normen (voormalige IRPA-normen). Voor de meeste antennes betekent dit weliswaar een extra veiligheidsmarge, maar het is eenvoudiger en praktischer om overal dezelfde afstand aan te houden, dan die te laten variëren afhankelijk van het vermogen van de antenne.
Indien het mogelijk is om binnen bovengenoemde afstand van een antenne te komen, bijvoorbeeld bij werkzaamheden op het dak, dienen maatregelen genomen te worden om dit te voorkomen.
Paragraaf 3
Artikel 3.2
Volksgezondheid
Onderdeel van Beleidsnota antenne-installaties, gemeente Eemnes