De aanwijzing door burgemeester en wethouders geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college van burgemeester en wethouders of van de raad te zijn.
Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1:1, tweede lid, aan burgemeester en wethouders opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.
Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan burgemeester en wethouders doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.