Naar hoofdinhoud
1.. Pensioenen, ten aanzien waarvan artikel 9 of 16a van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1956 toepassing heeft gevonden, worden, onverminderd de artikelen 32 en 33 en met inachtneming van het tweede lid, met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening of het later tijdstip waarop zij zijn ingegaan, nader vastgesteld zonder de in eerstgenoemde artikelen vervatte beperking. 2.. De nadere vaststelling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zodanig, dat niet daadwerkelijk gelijktijdig vervulde diensttijd slechts wordt medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert. Bij de toepassing van de vorige volzin wordt onder pensioen tevens verstaan een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in artikel 31, tweede lid. 3.. De voorafgaande leden vinden slechts toepassing, indien ten gevolge daarvan de som van de pensioenen meer bedraagt dan deze zou hebben bedragen, indien de op de dag voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening van kracht geweest zijnde bepalingen van toepassing zouden zijn gebleven. Indien krachtens de voorgaande volzin geen nadere vaststelling van de pensioenen plaatsvindt, is op het totaal van de pensioenen artikel 5 van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel