**1..** Op een uitkering, als bedoeld in artikel 7, worden met inachtneming van het bepaalde in het derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid in mindering gebracht de inkomsten, die de belanghebbende geniet of gaat genieten uit of in verband met:
arbeid of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag, waarop zijn wethouderschap is geëindigd;
arbeid of bedrijf, ter hand genomen in het jaar, onmiddellijk voorafgegaan aan de dag, waarop hij als wethouder is afgetreden;
een betrekking, waarin hij gedurende zijn zittingstijd als wethouder op non-actief was gesteld, met uitzondering evenwel van inkomsten in verband met een betrekking als evenbedoeld, indien op deze inkomsten krachtens de regeling, ingevolge welke zij worden genoten, de krachtens deze verordening toegekende uitkering geheel of gedeeltelijk in mindering wordt gebracht of zou zijn gebracht, indien de som van de uitkering en bedoelde inkomsten het ingevolge die regeling in acht te nemen maximum zou hebben overschreden.
**2..** Indien de belanghebbende uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor het jaar, bedoeld in het eerste lid onder b, op of na de dag van zijn aftreden als wethouder inkomsten verkrijgt of hogere inkomsten, anders dan als gevolg van algemene loonsverhogingen, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
**3..** Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder inkomsten:
mede verstaan uitkeringen krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet;
niet verstaan de kindertoelage welke de belanghebbende onder welke benaming ook elders ontvangt, noch de compensatie voor de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen.
**4..** Ten aanzien van de belanghebbende, die aanspraak heeft op uitkering krachtens het bepaalde in artikel 7, eerste, tweede of vierde lid, vinden het eerste en tweede lid zodanig toepassing dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag, waarmede de uitkering, vermeerderd met de daar bedoelde inkomsten of hogere inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, bedoeld in artikel 8, overschrijdt.
**5..** Ingeval de belanghebbende, die aanspraak heeft op uitkering krachtens het bepaalde in artikel 7, vierde lid, dan wel krachtens dat lid aanspraak zou hebben gehad, indien het tweede lid van dat artikel op hem niet van toepassing zou zijn geweest, elders aanspraak heeft op enige wettelijke uitkering, pensioen daaronder begrepen, ter zake van algemene invaliditeit, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, wordt in afwijking van het vierde lid, de krachtens artikel 7 toegekende uitkering zodanig verminderd met de elders toegekende uitkering, dat de som van de uitkeringen niet uitgaat boven 80 percent van de laatstgenoten wedde, bedoeld in artikel 8, bij een algemene invaliditeit van 55 percent of meer, en niet boven 60 percent daarvan bij een algemene invaliditeit van 55 percent of meer, en niet boven 60 percent daarvan bij een algemene invaliditeit van minder dan 55 percent. Indien de belanghebbende nog andere inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf geniet, vindt op het aldus veminderde bedrag het bepaalde in het vierde lid vervolgens overeenkomstige toepassing.
**6..** Indien de belanghebbende uitkering geniet krachtens het bepaalde in het zesde lid van artikel 7, worden inkomsten, als in het eerste en tweede lid bedoeld, op de uitkering tot zodanig bedrag in mindering gebracht, dat de som van de uitkering en die inkomsten niet hoger is dan het in artikel 7, zesde lid bedoelde bedrag.
**7..** De inkomsten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden in mindering gebracht op de uitkering over de maand, waarop bedoelde inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Brengt de aard van de inkomsten of van de werkzaamheden mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
**8..** In de gevallen, waarin de toepassing van het bepaalde in het vijfde, zesde of zevende lid tot onevenredige voor- of nadelen zou leiden, kunnen burgemeester en wethouders, de vaste commissie van advies en bijstand aan burgemeester en wethouders met betrekking tot personeelsaangelegenheden gehoord, in bijzondere gevallen of groepen van gevallen een andere regeling treffen.
HOOFDSTUK II
Artikel 9