Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 10

Algemene planbeoordelingscriteria

Onderdeel van Verordening geldelijke steun voorzieningen aan sociale huurwoningen ’s-Gravenhage 1990

1.. Burgemeester en wethouders wijzen een aanvraag om geldelijke steun af: voor dat deel van het plan waardoor de geraamde kosten van de te treffen voorzieningen uitgaan boven de kosten van vergelijkbare nieuwbouw zoals die voor het geldende budgetjaar door de minster voor de betrokken lokatie binnen de gemeente zijn vastgesteld; indien de geraamde kosten van de voorzieningen minder bedragen dan f. 5.000,- gemiddeld per woning; indien in hetzelfde kalenderjaar of binnen vijftien volle kalenderjaren voorafgaand aan de indiening van de aanvraag reeds eerder voor de woning geldelijke steun is verleend op grond van deze verordening; indien de woning is gereedgekomen in één van de vijftien kalenderjaren, die direct voorafgaan aan de indiening van de aanvraag; indien ten tijde van de aanvraag reeds een begin met de werkzaamheden is gemaakt; indien de huurprijs vóór het treffen van de voorzieningen niet ten minste f 160,- per maand bedraagt bij geraamde kosten van de te treffen voorzieningen die 80% of meer bedragen van de kosten van vergelijkbare nieuwbouw, dan wel een bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen f 160,- en f 1,- per procentpunt onder het hiervoor genoemde percentage van 80; indien de opgegeven huurprijs na verbetering niet is berekend overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Huurprijzenwet woonruimte; indien voor het samenstellen van de bestekken betreffende de uitvoering van werkzaamheden aan woningen de door de minster aangewezen gedeelten van de delen A en C van het vanwege de minster openbaar gemaakte standaard Referentiebestek voor Onderhoud en Woningverbetering, zoals dat zes maanden voor de datum van de aanvraag van de bouwvergunning luidde, niet zijn toegepast; indien de warmteweerstand van de gevel na het treffen van de voorzieningen niet ten minste gelijk zal zijn aan 1,3 m 2K/W, behouders voor zover is vastgesteld dat de gevel niet geschikt is voor het daaraan aanbrengen van isolatie; indien de warmteweerstand van het dak na het treffen van de voorzieningen niet ten minste gelijk zal zijn aan 1,3 m 2 K/W, behoudens voor zover is vastgesteld dat het dak niet geschikt is voor het aanbrengen van isolatie; indien de warmteweerstand van de beganegrondvloer dan wel de souterrainvloer na het treffen van de voorzieningen niet ten minste gelijk is aan 1,3 m 2 K/W, behoudens voor zover is vastgesteld dat de beganegrondvloer dan wel de souterrainvloer niet geschikt is voor het aanbrengen van isolatie; indien het gaat om een complex en bij de aanvraag geen door een deskundige opgesteld rapport wordt overgelegd over de mogelijkheden en de daarbij behorende kosten van isolatie van het complex; indien het plan overigens in strijd is met enige bepaling in deze verordening 2.. Indien, bij de laatste maal dat voor een woning op voet van deze regeling een bijdrage ineens in de kosten van de voorzieningen is verstrekt, die voorzieningen uitsluitend bestonden uit energiebesparende maatregelen en die bijdrage ineens ten laste kwam van een in 1987 geldend deelbudget wordt in het eerste lid onder c in plaats van “vijftien” gelezen: vijf. 3.. Van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen c en d, kunnen burgemeester en wethouders, na verkregen toestemming van de minister, vrijstelling verlenen indien toepassing zou leiden tot gevaar voor de instandhouding van de woning. 4.. Van het bepaalde in het eerste lid onder i, j en/of k wordt ontheffing verleend, indien de betrokken woning een beschermd monument is in de zin van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 (Stb. 638), door het treffen van de voorzieningen dat monument zal wijzigen en daarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 11 van die wet wordt verleend.

Rechtspraak bij dit artikel