**1..** Burgemeester en wethouders wijzen een aanvraag om geldelijke steun voorts af indien:
met het treffen van de voorzieningen het belang van de volkshuisvesting niet of onvoldoende wordt gediend;
de te treffen voorzieningen niet sober en doelmatig zijn;
de kosten van de voorziening niet geacht kunnen worden in redelijke verhouding te staan tot het te bereiken kwaliteitsniveau na de verbetering;
indien de voorzieningen niet voldoen aan het bepaalde in de gemeentelijke bouwverordening zoals die geldt ten tijde van de aanvraag, behoudens vrijstelling op onderdelen verleend door burgemeester en wethouders;
niet voldoende aannemelijk is dat de woning na het treffen van de voorzieningen nog ten minste het aantal jaren in stand zal blijven dat de helft bedraagt van het toepasselijke percentage van de kosten van vergelijkbare nieuwbouw als bedoeld in artikel 13;
naar het oordeel van burgemeester en wethouders de woning mede voorzieningen behoeft die niet in het plan zijn opgenomen en waarop artikel 15 niet van toepassing is.
HOOFDSTUK II
Artikel 11
Nadere planbeoordelingscriteria
Onderdeel van Verordening geldelijke steun voorzieningen aan sociale huurwoningen ’s-Gravenhage 1990