Naar hoofdinhoud
Lid 1 Uitgangspunt van de gemeentelijke gedragscode ter voorkoming en bestrijding van rassendiscriminatie op de werkvloer - hierna te noemen gedragscode - is het beginsel neergelegd in artikel 1 van de grondwet. Hierin wordt gesteld dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan en valt onder het begrip plichtsverzuim. Lid 2 Onder directe discriminatie wordt verstaan het maken van onderscheid in de benadering of behandeling van mensen op basis van etnische gronden. Onder indirecte discriminatie wordt verstaan het opleggen van eisen of restricties aan een groep mensen met als gevolg dat een substantieel kleiner deel van een bepaalde etnische groep aan die eisen of restricties kan voldoen dan gemiddeld van de gehele groep zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Lid 3 De werking van de gedragscode strekt zich primair uit tot de gemeente als arbeidsorganisatie. De gedragscode is opgesteld om te bevorderen dat in het gemeentelijk personeelsbeleid het in het eerste lid genoemde beginsel ten uitvoer wordt gebracht of dat werknemers duidelijkheid wordt verschaft hoe het bewust of onbewust discrimineren kan en dient te worden voorkomen. De code richt zich op: het concretiseren van het non-discriminatiebeginsel; het recht doen aan het gelijke-kansen-principe ten aanzien van gemeentelijke werknemers en potentiële werknemers; de multi-culturele bedrijfsvoering van de gemeente. Lid 4 De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het in het eerste lid genoemde uitgangspunt ligt bij burgemeester en wethouders. Zij zijn verantwoordelijk voor de bevordering van de aanstelling van achterstandsgroeperingen, het ontwikkelen van een anti-discriminatiebeleid, het voorkomen van achterstelling van minderheidsgroeperingen en het optreden van racistisch gedrag. Lid 5 Burgemeester en wethouders verplichten zich tot openbare bekendmaking van de gedragscode. Het gemeentepersoneel wordt op de hoogte gesteld en gehouden van de inhoud van de gedragscode en waar nodig geïnstrueerd bij de toepassing ervan. Lid 6 De werking van de gedragscode wordt na drie jaar door burgemeester en wethouders geëvalueerd.

Rechtspraak bij dit artikel