1.. Het college behandelt het verzoek van de inburgeringsplichtige om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget op de in tijd navolgende wijze:

a.. mondeling, via de intake;

b.. op basis van een taal- en leerbaarheidstoets;

c.. op basis van een schriftelijke overeenkomst of beschikking.

2.. Het college keurt het verzoek van de inburgeringsplichtige voor het volgen van een inburgeringsvoorziening goed indien de inburgeringsvoorziening:

a.. naar het oordeel van het college passend is om hem voor te bereiden op en toe te leiden naar het examen-; en

b.. wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat in het bezit is van het Keurmerk Inburgeren, een daarmee vergelijkbaar kwaliteitskeurmerk of aan vergelijkbare eisen van transparantie en klanttevredenheid voldoet;

c.. niet duurder is dan € 4000,=.

3.. Het college keurt het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen van een taalkennisvoorziening goed, indien deze taalkennisvoorziening:

a.. naar het oordeel van het college passend is om hem de kennis van de Nederlandse taal te laten verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2; en

b.. wordt verzorgd door een inburgeringbedrijf dat in het bezit is van het Keurmerk Inburgeren, een daarmee vergelijkbaar kwaliteitskeurmerk of aan vergelijkbare eisen van transparantie en klanttevredenheid voldoet;

c.. niet duurder is dan € 4000,=.

4.. Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget heeft vastgesteld sluit de inburgeringsplichtige een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf.