Naar hoofdinhoud

Paragraaf 1

Artikel 2

Verlagen van de bijstand

Onderdeel van Maatregelenverordening 2004

1. Het dagelijks bestuur verlaagt de bijstand overeenkomstig deze verordening en op grond van artikel 18 van de WWB in geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de uitkeringsgerechtigde of wanneer de uitkeringsgerechtigde de verplichtingen voortvloeiende uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het dagelijks bestuur zeer ernstig misdragen. 2. Het dagelijks bestuur stemt het verlagen van de bijstand af op de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. 3. Het besluit de bijstand te verlagen bevat tenminste: de reden van het verlagen, de periode waarover het verlagen plaatsvindt, het percentage waarmee wordt verlaagd. Als naar beneden of naar boven wordt afgeweken van de standaard verlaging motiveert het dagelijks bestuur dit in het besluit. 4. De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm. Onverminderd het voorgaande wordt de verlaging tevens toegepast op de aan jongeren verstrekte bijzondere bijstand voor levensonderhoud op grond van art. 12 van de wet, voor zover zij recht hebben op deze bijzondere bijstand. Alsmede op de langdurigheidstoeslag indien de verwijtbare gedraging van de belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. 5. a. De verlaging gaat in met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging is bekendgemaakt. b. Voor zover de bijstand of de langdurigheidstoeslag nog niet is betaald kan in afwijking van het voorafgaande de verlaging met terugwerkende kracht opgelegd worden. c. De verlaging wordt toegepast op de geldende bijstandsnorm die van toepassing is in de maand waarin de verlaging geëffectueerd wordt.

Rechtspraak bij dit artikel