Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

Voorlopige vaststelling

Onderdeel van Personeelsbeoordeling 2006, regeling

Lid 1 Het beoordelingsformulier, en eventueel de onder 6.3 genoemde notitie, worden vervolgens binnen een week aan de naasthogere leidinggevende voorgelegd. Lid 2 Indien de naasthogere leidinggevende van mening is, dat de beoordeling niet overeenkomstig de bepalingen van dit reglement tot stand is gekomen, dan wel dat hij de juistheid van de beoordeling betwijfelt, bespreekt hij dit met de beoordelaar. Lid 3 De naasthogere leidinggevende is bevoegd de beoordeling daarna overeenkomstig zijn bevindingen te wijzigen. Lid 4 De beoordelaar bespreekt deze wijzigingen met de ambtenaar; de ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Lid 5 Vervolgens stelt de naasthogere leidinggevende de beoordeling voorlopig vast en wordt gelijktijdig een afschrift van de beoordeling aan de ambtenaar uitgereikt.

Rechtspraak bij dit artikel