Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een individuele vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, onder c. in aanmerking worden gebracht als:
een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder b. niet aanwezig is;
het gebruik van het collectief systeem onmogelijk is vanwege aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, individuele persoonskenmerken of vervoersbehoeften;
aanvulling op het collectief vervoer
De in artikel 22 onder c. genoemde voorziening kan bestaan uit:
een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget in de vorm van:
een al dan niet aangepaste bruikleenauto;
een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;
een scootermobiel;
een ander verplaatsingsmiddel;
een tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van:
aanpassing van een eigen auto;
gebruik van een bruikleenauto;
gebruik van een taxi;
gebruik van een rolstoeltaxi;
aanschaf van een ander verplaatsingsmiddel.
Hoofdstuk
Artikel 25.
Het recht op en de vormen van een individuele vervoersvoorziening
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Aa en Hunze 2011