2.1 Onderzoek door het bevoegd gezag
zelf
Bij de aanvraag om een nieuwe vergunning of een wijziging van een
vergunning (zoals het bijschrijven van een leidinggevende op een Drank-
en horecawetvergunning verzoekt de gemeente standaard om bij de aanvraag
aanvullende informatie te verstrekken op het gemeentelijk
vragenformulier. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek
moet beoordeeld worden of artikel 3 van de Wet BIBOB van toepassing kan
zijn op de aanvraag. Is er een vermoeden dat dit het geval is, dan wordt
er vervolgens een uitgebreider onderzoek ingesteld door het bevoegd
gezag.
Dit betekent concreet dat het uitgebreide vragenformulier BIBOB
toegezonden wordt naar de aanvrager. Hiertoe wordt overgegaan op advies
van politie of justitie of indien uit het antecedentenonderzoek van de
Centraal Justitiële Documentatiedienst vragen ontstaan omtrent het
levensgedrag van de aanvrager of de financiering van de onderneming.
Deze instanties adviseren op verzoek van de gemeente altijd bij een
aanvraag om een vergunning. Dit onderzoek betreft in alle gevallen een
controle en analyse van de door de aanvrager/houder van de vergunning
beantwoorde vragen die zijn opgenomen in het gemeentelijk
vragenformulier BIBOB-vergunning.
Indien er na invulling van het gemeentelijk vragenformulier vragen
blijven bestaan over:
a. de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de directe
omgeving van de onderneming;
b. de financiering van het bedrijf;
c. de omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de financier
van
de onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is
gevestigd of de inventaris van de inrichting;
d. (andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat er sprake
is van een ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt voor het
plegen van strafbare feiten, of het gebruiken van voordelen uit
strafbare feiten;
e. (andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat ter
verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven vergunning een strafbaar
feit is gepleegd,
dan dient de aanvrager/houder van de vergunning:
a. het BIBOB-vragenformulier (als bedoeld in artikel 30 van de Wet
BIBOB) in te vullen;
b. documenten op grond van het BIBOB-vragenformulier aan te
leveren;
c. eventuele extra, op verzoek van de gemeente, documenten of informatie
aan te leveren.
Het bevoegd gezag toetst de informatie, verkregen uit het
BIBOB-vragenformulier, aan de in het kader van BIBOB onderzoek
toegankelijke informatiebronnen. Het bevoegd gezag past uiteraard ook de
reeds bestaande weigeringsgronden onderzoeken toe. Deze kunnen ook
betrekking hebben op de integriteit van aanvrager/houder van de
vergunning.
Als het bevoegd gezag op basis van het eigen onderzoek genoeg
aanwijzingen heeft dat een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet
BIBOB zich voordoet, kan het de vergunning weigeren of intrekken. Een
weigering om het gemeentelijk vragenformulier en/of het
BIBOB-vragenformulier volledig in te vullen (voorzien van alle gevraagde
documenten) wordt door het bevoegd gezag aangemerkt als ‘ernstig gevaar’
en zal eveneens leiden tot weigering of intrekking van de vergunning
(artikel 4 van de Wet BIBOB).
2.2 Onderzoek door het Bureau BIBOB
Indien na dit eigen onderzoek door het bevoegd gezag vragen blijven
bestaan over:
1. de bedrijfsstructuur;
2. de financiering;
3. omstandigheden in de persoon van de aanvrager
zal het bevoegd gezag een advies vragen bij het landelijk Bureau BIBOB
(artikel 9 Wet BIBOB).
Ook in de situatie dat de officier van justitie het bevoegd gezag
adviseert een advies te vragen over de verlening of intrekking van een
vergunning aan het landelijk Bureau BIBOB (artikel 26 van de Wet BIBOB),
zal het bevoegd gezag dit advies opvolgen.
Een toetsing aan de Wet BIBOB met behulp van een advies geldt in
beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken
(rechts)persoon te controleren. Bij deze zware inbreuk op de privacy
moet het bevoegd gezag de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit
in acht nemen. Deze eisen brengen met zich mee dat het bevoegd gezag
eerst gebruik maakt van haar eigen instrumenten. Verder moet het vragen
van een advies evenredig zijn gelet op de mate van gevaar en de ernst
van de strafbare feiten. Dus pas wanneer de bestaande wetgeving geen
uitkomst biedt bij het weigeren of intrekken van een vergunning en het
belang aantoonbaar is, kan een advies worden aangevraagd bij het bureau
BIBOB.
Bij een aanvraag voor een BIBOB-advies bij het Bureau BIBOB wordt de
aanvrager/houder van de vergunning vooraf geïnformeerd door het bevoegd
gezag (mededelingsplicht).
De adviesaanvraag bij het Bureau BIBOB is géén beschikking in de zin van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertegen staat dus geen bezwaar en
beroep open. De aanvrager van een vergunning kan uiteraard te allen
tijde de aanvraag intrekken.
Het Bureau BIBOB neemt geen direct contact op met de aanvrager/houder
van de vergunning of de andere bij het onderzoek betrokken
(rechts)personen. Eventuele aanvullende vragen van het Bureau BIBOB
worden via het bevoegd gezag aan betrokkenen gesteld.
Het Bureau BIBOB moet in beginsel binnen vier weken adviseren aan het
bevoegd gezag. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden
verlengd. Het Bureau BIBOB zal het bevoegd gezag hiervan in kennis
stellen. De beslistermijn voor het bevoegd gezag wordt opgeschort
gedurende de adviestermijn van het Bureau BIBOB, doch is niet langer dan
acht weken.
2.3 Welke personen en bedrijven worden in het onderzoek
betrokken?
De in artikel 3 van de Wet BIBOB genoemde personen en bedrijven moeten
er rekening mee houden dat in het kader van een vergunningaanvraag
diepgaand onderzoek kan worden gedaan naar betrokkenheid bij criminele
activiteiten. In de Wet BIBOB is bepaald wie aan een dergelijk onderzoek
van de gemeente en bureau BIBOB kunnen worden onderworpen. De
voornaamste personen en bedrijven zijn:
1. de aanvrager/houder van een vergunning;
2. direct en indirect leidinggevenden;
3. personen die in een zakelijk samenwerkingsverband tot
aanvrager/houder staan;
4. personen die zeggenschap hebben binnen een bedrijf waarbij de
aanvrager/houder betrokken is;
5. vermogensverschaffers.
2.4 Wat gebeurt er met het advies van Bureau
BIBOB?
Het advies van het Bureau BIBOB draagt bij aan de onderbouwing van het
besluit tot verlening, weigering of intrekking van de vergunning. Het
bevoegd gezag mag slechts de gegevens uit het advies gebruiken die
noodzakelijk zijn voor de onderbouwing van de verlening, weigering of
intrekking van de vergunning.
Het Bureau BIBOB kan drie soorten adviezen afgeven:
Er is geensprake van een ernstige mate van gevaar als
bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB;
Er is sprake van een mindere mate van gevaar;
Er is sprake van een ernstige mate van gevaar.
In hoofdlijnen hanteert het bevoegd gezag de volgende werkwijze rondom
de adviezen.
Indien het Bureau BIBOB adviseert dat er “geen gevaar” is, verleent het
bevoegd gezag de vergunning. Is het advies van Bureau BIBOB “ernstige
mate van gevaar” dan weigert het bevoegd gezag de vergunning. Is het
advies “een mindere mate van gevaar” dan verleent het bevoegd gezag de
vergunning onder bepaalde voorschriften (bijvoorbeeld het periodiek
overleggen van de boekhouding ten behoeve van een betere controle).
Vanzelfsprekend kan het bevoegd gezag te alle tijde gemotiveerd afwijken
van deze werkwijze.
Het bevoegd gezag stelt, indien het voornemens is een negatieve
beslissing te nemen op grond van een BIBOB-advies, de betrokkene in de
gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. Betrokkene kan dan
ook het BIBOB-advies inzien.
Derden die genoemd zijn in het voorgenomen besluit worden aangemerkt als
belanghebbenden in de zin van artikel 4:8 Awb. Zij kunnen ook hun
zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren brengen, indien te
verwachten is dat zij hiertegen bedenkingen hebben. Derden hebben niet
het recht om het BIBOB-advies in te zien. Tegen het uiteindelijke
besluit van het bevoegd gezag staat bezwaar en beroep open. Op eenieder
die de beschikking krijgt over gegevens uit het advies, die betrekking
hebben op anderen dan hemzelf, rust een geheimhoudingsplicht, behoudens
voor zover de Wet BIBOB mededelingen toelaat.
2.5 Hoe lang moet een aanvrager op zijn (verleende of
geweigerde) vergunning wachten?
Bij een adviesaanvraag bij het Bureau BIBOB wordt de wettelijke
beslistermijn met vier weken verlengd. Deze termijn kan vervolgens met
nog eens vier weken worden verlengd, indien het onderzoek van het Bureau
BIBOB niet in de eerste vier weken na de indiening van het verzoek om
advies kan worden afgerond.
Dit betekent dat de beslissing op een aanvraag maximaal acht weken is,
tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen en een extra redelijke
termijn wordt bepaald als bedoeld in artikel 4:14 Awb. Het bevoegd gezag
streeft ernaar de beslissingstermijnen zo kort mogelijk te houden.
Artikel 2
De Wet BIBOB toegepast
Onderdeel van Beleidsregels Wet BIBOB gemeente Schouwen-Duiveland 2010