De burgemeester kan de vergunning intrekken, dan wel de
vergunningsvoorschriften wijzigen:
indien blijkt, dat de vergunning tengevolge van een onjuiste of
onvolledige opgave is verleend;
indien naar zijn oordeel niet meer wordt voldaan aan het
bepaalde in artikel 4, derde lid;
indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden
voorschriften;
indien de exploitatie van de inrichting voor een periode van
langer dan een half jaar is of wordt onderbroken;
indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen
nieuwe vergunning is aangevraagd.