In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van
de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit
niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel
bedoelde waarde, de waarde van:
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente;
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige
gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn
geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek,
ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's,
hekken en palen;
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de
gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot
heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
dienen als woning;
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met
uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
dienen als woning;
telefooncentrales, zendmasten, musea, scholen,
onderwijsinstellingen, wijk- en buurtcentra,
peuterspeelzalen/creches, clubhuizen, kleed- en
toiletgebouwen, parken, waterpartijen, stations t.b.v.
bus- of treinverkeer, pinautomaten (die een zelfstandig
WOZ object zijn) en ligplaatsen;
pinautomaten, die als zelfstadige onroerende zaak in de
zin van de Wet waardering onroerende zaken zijn
afgebakend;
objecten in gebruik ten behoeve van gas-, water-,
stroom- of energiedistributie, waaronder
transformatiehuisjes en hoogspanningsmasten en met
uitzondering van benzinestations;
ongebouwde eigendommen, die als zelfstandige onroerende
zaak in de zin van de Wet waardering onroerende zaken
zijn afgebakend en die worden gebezigd ten behoeve van
de opslag of distributie van zaken of daartoe bestemd
zijn, dan wel bestemd zijn voor de bouw van woningen.
Hoofdstuk II
Artikel 7