Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Juridisch kader

Onderdeel van Beleidsregels Wet Victoria gemeente Schouwen-Duiveland 2010

3.1 Artikel 174a Gemeentewet De tekst van artikel 174a van de Gemeentewet luidt als volgt: 1. De burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord. 2. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid komt de burgemeester eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning, dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken of doen gebruiken. 3. De burgemeester bepaalt in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen. 4. Bij de bekendmaking van het besluit worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is. 5. De artikelen 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. 3.2 Reikwijdte artikel 174a , eerste lid, Gemeentewet Discretionaire bevoegdheid De burgemeester is het bestuursorgaan dat op grond van artikel 174a Gemeentewet bevoegd is om te besluiten tot sluiting van de woning. Mandatering van deze bevoegdheid is niet mogelijk. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, De burgemeester is derhalve niet verplicht te besluiten om tot sluiting over te gaan, indien aan de criteria als genoemd in het eerste lid wordt voldaan. Woning Een woning is te karakteriseren als een van de buitenwereld afgesloten plaats waar iemand –eventueel in een gemeenschappelijke huishouding met andere personen- zijn privaat huiselijk leven leidt of pleegt te leiden. De woning hoeft niet in een woonhuis te zijn gelegen. Tal van woningen bevinden zich in woonwagens of woonschepen. Daarnaast kan in een ander schip of in een tent, caravan, keet of barak een woning zijn ingericht. Ook een hotelkamer kan als woning gelden. Niet voor het publiek toegankelijk lokaal Niet voor het publiek toegankelijke lokalen zijn bijvoorbeeld een hotelkamer, voor zover dit niet onder het begrip “woning” valt, en een lokaal uitsluitend toegankelijk voor leden van een vereniging of een bepaald gezelschap. Ook kantoor- en bedrijfsruimten kunnen onder dit begrip vallen. Erf Het begrip “erf” is ontleend aan het Wetboek van Strafrecht. Daarbij kan worden gedacht aan een tuin of aan een binnenplaats van een flatgebouw. Sluiting Bij een sluiting van een woning ingevolge artikel 174a Gemeentewet wordt de woning volledig ontoegankelijk en onbewoonbaar gemaakt. Verstoring openbare orde Uitdrukkelijk is aan een objectieve redactie van het artikel de voorkeur gegeven boven een subjectieve redactie. Concreet houdt deze objectieve redactie in dat de burgemeester slechts op grond van objectieve maatstaven mag beoordelen of van een ernstige verstoring van de openbare orde sprake is. Elk besluit tot sluiting zal deugdelijk moeten worden gemotiveerd. Deze motivering zal gegrond moeten zijn op bewijsstukken waaruit duidelijk en overtuigend blijkt dat er van een verstoring van de openbare orde sprake is. Als bewijsstukken kunnen dienen politierapporten en processen-verbaal. Voor het kunnen hanteren van de sluitingsbevoegdheid als genoemd in het eerste lid van artikel 174a Gemeentewet is het niet voldoende dat er vrees voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde bestaat. Er zal sprake moeten zijn van een situatie waarin de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord en wel in zodanige mate dat een sluiting te rechtvaardigen is. Deze voorwaarden vloeien voort uit de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit waaraan iedere beperking van grondrechten en derhalve ook onderhavige moet voldoen. Bij het sluiten van een woning komen het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het huisrecht in het geding. Voordat de burgemeester besluit om een woning te sluiten moet zijn vastgesteld dat er geen ander probaat middel is dat niet of in mindere mate ingrijpt in de privacy van de bewoners. Met proportionaliteit wordt bedoeld dat het sluiten van de woning in verhouding moet staan tot de overlast. Hiervan is sprake als de overlast leidt tot een verstoring van de openbare orde, die de veiligheid en de gezondheid van mensen in de omgeving van de betrokken woning in ernstige mate aantast. Overlast die bijvoorbeeld het gevolg is van de handel in of het gebruik van harddrugs voldoet in de meeste gevallen aan dit criterium. 3.3 Reikwijdte artikel 174a, tweede lid, Gemeentewet Het tweede lid ziet op het voorkomen van herhaling of verplaatsing van de overlast en opent dus de mogelijkheid van preventieve bestuursdwang. De kern van dit lid is dat de burgemeester eveneens de bevoegdheid heeft om een woning te sluiten indien er ernstige vrees bestaat dat een eenmaal voorgedane verstoring van de openbare orde zich herhaalt nadat de eerdere sluiting van de woning is afgelopen of indien de gedragingen die hebben geleid tot sluiting van een woning zich verplaatsen naar elders. Preventieve sluiting op grond van het tweede lid is pas mogelijk, indien een woning is gesloten omdat door gedragingen van de rechthebbende (eigenaar, eigenaar-bewoner of huurder) de openbare orde rond die woning is verstoord en aannemelijk is gemaakt dat die rechthebbende zijn overlastgevende gedra­gingen in de nieuwe woning zal voortzetten. 3.4 Reikwijdte artikel 174a, derde lid, Gemeentewet De burgemeester bepaalt in het besluit, alle relevante omstandigheden in aanmerking nemende, de duur van de sluiting. Op grond van het proportionaliteitsvereiste dient de duur van de sluiting beperkt te zijn tot een periode waarin de openstelling van de woning, het lokaal of het erf daadwerkelijk een bedreiging vormt voor de openbare orde. De sluitingsduur kan worden verlengd als ernstige vrees bestaat voor herhaling van verstoring van de openbare orde. Het besluit moet dan wel zijn genomen voor afloop van de oorspronkelijke sluitingstermijn. 3.5 Reikwijdte artikel 174a, vierde lid, Gemeentewet In het vierde lid van artikel 174a Gemeentewet is opgenomen dat aan de belanghebbenden vooraf de gelegenheid moet worden geboden zelf maatregelen te treffen om aan de verstoring van de openbare orde een einde te maken. De vrijwillige maatregelen die de belanghebbende moet treffen, kunnen in het sluitingsbevel worden opgenomen en dienen als eindresultaat de sluiting van het pand te hebben. Deze begunstigingstermijn is verplicht en varieert in de praktijk van 48 uur tot twee weken. Er zijn twee opvattingen over het begrip begunstigingstermijn. Ten eerste kan deze worden gezien als de termijn waarbinnen de betrokkene maatregelen kan nemen om de verstoring van de openbare orde te beëindigen. Als dat daadwerkelijk gebeurt, is het mogelijk dat het sluitingsbevel niet geëffectueerd wordt. Een andere visie is dat de begunstigingstermijn de laatste mogelijkheid vormt voor de betrokkene om vrijwillig het pand te ontruimen en af te sluiten. De sluiting gaat altijd door, maar de toepassing van bestuursdwang kan zo worden voorkomen. De burgemeester hanteert de tweede visie, waarbij de bewoners uitsluitend een termijn wordt gegund om de woning zelf te ontruimen, waarmee verdere ordeverstoringen worden voorkomen. De termijn bedraagt overigens twee weken. 3.6 Waarborgen sluiting De uitoefening van de bevoegdheid ex artikel 174a Gemeentewet dient in ieder geval met verschillende waarborgen omkleed te worden: Bij de bekendmaking van het besluit moeten belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. Dit lijdt slechts uitzondering in geval dat voorafgaande bekendmaking van het besluit in spoedeisende gevallen niet mogelijk is. In het besluit moet de duur van de sluiting worden vastgelegd. De duur van de sluiting wordt bepaald aan de hand van de ernst van de overlast en de periode die nodig is om het ongewenste bezoekerspatroon te doorbreken. De algemene waarborgen als opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht: a. Belanghebbenden dienen voorafgaande aan de totstandkoming van het besluit in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze daarover naar voren te brengen (artikel 4:8 Awb); b. Het besluit tot geslotenverklaring dient op deugdelijke wijze bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb). Daartoe zal het besluit moeten worden toegezonden of uitgereikt aan belanghebbenden. Onder belanghebbenden behoren in ieder geval de bewoners van het pand, alsmede de eigenaar, indien deze het pand niet zelf bewoont. Bovendien wordt aan het besluit bekendheid gegeven door het in enigerlei vorm op de deur van het drugspand aan te brengen; c. In het besluit moet een termijn (begunstigingstermijn)worden gesteld waarbinnen belanghebbenden zelf maatregelen kunnen treffen om de tenuitvoerlegging van het besluit tot geslotenverklaring te voorkomen, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet; d. Tegen het besluit staan de rechtsbeschermingvoorzieningen van de Awb open. Het indienen van een bezwaarschrift en het instellen van beroep op de rechter heeft echter geen schorsende werking ten aanzien van het bestreden besluit. Wel is het eventueel mogelijk dat de voorzieningenrechter des verzocht in het kader van een te treffen voorlopige voorziening schorsing van het bestreden besluit gelast. 3.7 Algemene plaatselijke verordening gemeente Schouwen-Duiveland 2008 (Apv) De gemeente heeft een verbod tot het binnentreden van een gesloten pand opgenomen in 2:41 van de Apv. Zonder een verbodsbepaling in de Apv kan namelijk niet worden opgetreden tegen personen die zich niet houden aan de sluiting en het pand toch betreden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel