Naar hoofdinhoud
11.1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 7: 667 tot en met 7: 686 BW kan de arbeidsovereenkomst op de volgende wijzen eindigen: met wederzijds goedvinden op een door werkgever en werknemer overeengekomen tijdstip; door eenzijdige beëindiging tijdens de proeftijd als bedoeld in artikel 7: 676 BW; door ontbinding door de rechter; van rechtswege: indien de werknemer overlijdt; wanneer de tijd waarvoor de overeenkomst is aangegaan, verstrijkt; op de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin de werknemer de 65 jarige leeftijd bereikt; door onverwijlde opzegging om een dringende reden als bedoeld in artikel 7: 678 BW of artikel 7: 679 BW; door opzegging, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. 11.2. De werkgever kan in ieder geval opzeggen: indien de werknemer een aanbod tot algemeen geaccepteerd arbeid in een arbeidsverhouding anders dan in het kader van de WWB heeft geweigerd te aanvaarden (hieronder valt ook het aanbod voor een uitstroomplaats); indien de werknemer onderwijs of een beroepsopleiding gaat volgen, als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering of in hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten; indien de werknemer op basis van indicatie een dienstbetrekking ingevolge de WSW krijgt aangeboden. 11.3. Opzegtermijnen De termijn van opzegging bedraagt voor de werknemer een maand. Bij aanvaarding van niet-gesubsidieerd werk, is deze opzegtermijn niet van toepassing. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan tegen elke dag geschieden met inachtneming van de wettelijke opzegbepalingen en opzegtermijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel