In veel bestemmingsplannen is geen specifieke regeling opgenomen omtrent de vestiging van bordelen en andere seksinrichtingen. Zolang het bordeelverbod bestaat is dit geen onoverkomelijk bezwaar om op te treden tegen ongewenste ontwikkelingen, immers de gemeente kan optreden wegens overtreding van een wettelijk verbod opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en in de APV. Door het vervallen van dit verbod is de vestiging van een seksinrichting een activiteit, die in beginsel gelijk te stellen is met willekeurig welke andere bedrijfsmatige activiteit. Gevolg daarvan is, dat als er door een gemeente geen vestigingsbeleid wordt geformuleerd uitsluitend getoetst kan worden aan vigerende bestemmingsplannen. In deze plannen is vaak voorzien in bestemmingen, die niet uitsluiten, dat ter plaatse seksinrichtingen gevestigd kunnen worden, te denken is b.v. aan een bestemming als “gemengde doeleinden”.Gezien het vorenstaande wordt door de VNG aanbevolen bestaande bestemmingsplannen te screenen en waar nodig aan te passen om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Aanpassing van de bestemmingsplannen vergt veel tijd, gevolg hiervan is dat de genoemde datum van 1 oktober 2000 niet wordt gehaald. Bovendien is het motief om een vestigingsbeleid te voeren niet, althans niet in de eerste plaats, van ruimtelijke aard, maar liggen hieraan veeleer openbare orde motieven ten grondslag, het voorkomen van overlast daaronder begrepen.Om die reden verdient het aanbeveling in ieder geval ook een vestigingsbeleid te formuleren gebaseerd op laatstgenoemde motieven en dit beleid te hanteren bij de vergunningverlening op basis van de APV.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2.1
Bestemmingsplan
Onderdeel van Lokaal prostitutiebeleid voor de gemeente Geertruidenberg