Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf Paragraaf 2.4

Artikel 18

Vervallen aanspraak op bekostiging

Onderdeel van Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 1997

1.. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op het door het college vastgestelde tijdstip waarop de bekostiging daadwerkelijk een aanvang kan nemen een bouwopdracht is verleend dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten. Een afschrift hiervan dient uiterlijk op 15 oktober van het in de eerste volzin genoemde jaar door het college te zijn ontvangen. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, binnen welke het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. In geval van een huur of erfpachtovereenkomst wordt daarin de datum van inwerkingtreding vermeld, alsmede de duur van de overeenkomst. In geval van een koopovereenkomst wordt daarin de datum van aankoop vermeld. 2.. Indien de aanvrager tot uitvoering van de voorziening overgaat vóórdat het college de beslissing heeft genomen als bedoeld in artikel 16, tweede lid of vierde lid, en deze beslissing aan de aanvrager kenbaar heeft gemaakt, legt het college een sanctie op ter grootte van minimaal 5% van het op het programma onderwijshuisvesting opgenomen bedrag, met een minimum van € 2.500,00 bij voorzieningen tot en met € 50.000,00 en een maximum van € 150.000,00. 3.. De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn als bedoeld in het eerste lid. 4.. Het college beslist voor 15 september over het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd. 5.. De aanspraak op bekostiging van het resterende krediet voor een toegekende voorziening vervalt, indien de voorziening niet uiterlijk op 31 december van het derde jaar, te rekenen vanaf de aanvang van het jaar waarvoor de voorziening is toegekend, is gerealiseerd en de aanvraag tot subsidievaststelling niet uiterlijk op deze datum is ontvangen. Indien door het college op verzoek van de aanvrager uitstel verleend is als bedoeld in het vierde lid, dient voor "het jaar waarvoor de voorziening is toegekend" te worden gelezen: het jaar, waarin de termijn als bedoeld in het derde lid van dit artikel, verloopt. 6.. Het college stelt de subsidie definitief vast uiterlijk op 31 december van het jaar volgende op het einde van de termijn als bedoeld in het vijfde lid. 7.. Het college kan, enkel indien de voorziening na opdrachtverstrekking als bedoeld in het eerste lid, als gevolg van bijzondere omstandigheden die naar het oordeel van het college niet voor rekening van de aanvrager kunnen worden gelaten, niet binnen de termijn als bedoeld in het vierde lid, kan worden afgerekend, deze termijn ambtshalve verlengen.” 8.. In afwijking van de in het vierde lid gestelde termijn dient de aanvraag tot betaalbaarstelling van de voorziening huur als bedoeld in artikel 2, onder a, sub 3, over een (deel van een) kalenderjaar uiter-lijk binnen zes maanden na het verstrijken van bedoeld kalenderjaar door het college te zijn ontvangen. De aanspraak op bekostiging van het (resterende) krediet voor de toegekende voorziening vervalt, indien niet aan het gestelde in de vorige volzin is voldaan. 9.. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op de voorzieningen in de huisvesting eerste inrichting onderwijsleerpakket en eerste inrichting meubilair.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel