Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 5

Eigen bijdrage voorzieningen voor residentiële opvang

Onderdeel van Verordening eigen bijdrage maatschappelijke opvang

1.. De bijdrage die aan de cliënt in rekening wordt gebracht, is gebaseerd op zijn netto-inkomen. 2.. De bijdrage bedraagt per maand een bedrag gelijk aan de uitkomst van de formule: I – J – C, waarbij I staat voor het netto-inkomen, J staat voor de som van 10% van de netto-inkomsten uit tegen-woordige arbeid en van het bedrag van de verwervingskosten welke niet uit andere hoofde voor vergoeding in aanmerking komen en C staat voor de bijstandsnorm, ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene bijstandswet, verminderd met het bedrag aan vakantietoeslag, te bepalen met behulp van het percentage ingevolge artikel 26, derde lid, van de Algemene bijstandswet. 3.. Indien met de cliënt eveneens een tot diens huishouden behorend minderjarig kind wordt opgenomen wordt bij de bepaling van het bedrag C deze bijstandsnorm verhoogd met het verschil tussen de bijstandsnorm ingevolge artikel 30, sub b, en de bijstandsnorm ingevolge artikel 30, sub a, van de Algemene bijstandswet. 4.. Indien een bijdrage over een gedeelte van een maand is verschuldigd, is de berekende bijdrage gelijk aan de bijdrage per maand, gedeeld door 30, vermenigvuldigd met het aantal dagen waarover de bijdrage ingevolge artikel 3, eerste lid, is verschuldigd. 5.. De bijdrage die in rekening wordt gebracht, bedraagt maximaal de kostprijs. 6.. Indien de cliënt aan de instelling die de bijdrage int niet de benodigde gegevens verstrekt ter bepaling van de door hem verschuldigde bijdrage, wordt aan de cliënt de kostprijs in rekening gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel