Hieronder volgt een beschrijving van de voorbereidingsprocedure ten behoeve van het besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning die met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure tot stand is gekomen.
a. Aanschrijving: Eén jaar (52 weken) na onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning ontvangt vergunninghouder een voornemen tot het intrekken van de omgevingsvergunning. Bij urgente en/of zwaarwegende planologische belangen volgt een voornemen tot intrekken na een half jaar (26 weken).
Ook indien de bouwwerkzaamheden reeds zijn aangevangen, maar deze gedurende een periode van 26 weken (na constatering van stilgelegde werkzaamheden) stilliggen, wordt vergunninghouder aangeschreven met het voornemen om tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan.
b. Zienswijze: Voordat tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt overgegaan wordt, conform het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, vergunninghouder in de gelegenheid gesteld binnen een redelijke termijn (in beginsel 2 weken) een schriftelijke of mondelinge zienswijze naar voren te brengen. Als vergunninghouder niet reageert binnen de gestelde termijn, wordt besloten tot intrekking van de omgevingsvergunning.
Als de vergunninghouder een zienswijze indient, zal worden beoordeeld of er voldoende gronden aanwezig zijn om niet tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan. Als de zienswijze mondeling wordt ingediend, zal deze schriftelijk worden vastgelegd en aan vergunninghouder worden verzonden. Van redelijke gronden is in ieder geval sprake als met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten) de intentie tot het starten met de bouwwerkzaamheden aangetoond kan worden.
c. Nadere termijn: Indien er redelijke gronden zijn om niet direct tot intrekking van de omgevingsvergunning over te gaan zal per individueel geval een nadere termijn gesteld worden waarbinnen vergunninghouder alsnog gebruik moet maken van de omgevingsvergunning (dit betekent feitelijk aanvangen met bouwwerkzaamheden) dan wel de bouwwerkzaamheden moet hervatten. De nadere termijn bedraagt nooit meer dan 2 jaar (104 weken) na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning. De nadere termijn wordt schriftelijk vastgelegd en verzonden aan de vergunninghouder. Een verzoek om nog verder uitstel na het verstrijken van de gestelde termijn zal strikter worden beoordeeld.
Indien binnen de nader gestelde termijn geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden dan wel de werkzaamheden zijn hervat, wordt de omgevingsvergunning alsnog, zonder voorafgaande aankondiging, ingetrokken.
d. Besluit: Er zal een besluit worden genomen tot intrekking van de omgevingsvergunning. Een besluit tot intrekking wordt binnen 4 weken na afloop van de zienswijzentermijn genomen, als er geen zienswijzen zijn ingediend. Als wel zienswijzen worden ingediend wordt binnen 8 weken na afloop van de zienswijzentermijn een besluit genomen.
e. Bezwaar/beroep: Tegen het besluit tot intrekken van een omgevingsvergunning kunnen belanghebbenden op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag van verzending van het besluit, een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en wethouders. Als de vergunning is ingetrokken moet vergunninghouder de situatie in oorspronkelijke toestand te herstellen.
f. Publicatie: Het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning wordt zo spoedig mogelijk na versturen van het besluit aan vergunninghouder bekendgemaakt in D’n Uitkijk.
Artikel 3.1.
Procedure intrekken omgevingsvergunning, reguliere procedure
Onderdeel van Beleidsregel inzake intrekken verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen