Het uitgangspunt van de terugvorderingbepalingen uit de Algemene bijstandswet is dat ten onrechte genoten bijstand zo veel mogelijk moet worden teruggevorderd. De gemeente dient bij het invullen van zijn bevoegdheid tot terugvordering hiermee zoveel mogelijk rekening te houden.
Aan de andere kant blijkt dat het hebben van schulden een reden is om minder snel betaalde arbeid te aanvaarden.
Gelet op het bovenstaande stellen wij u voor om de kwijtschelding van fraudevorderingen niet te versoepelen. Wel zien wij mogelijkheden om via een minder stringent invorderingsbeleid, de arbeidsmarktmotivatie te stimuleren.
Voor de voormalige bijstandscliënten met een inkomen hoger dan bijstandsniveau en een fraudevordering aan de gemeente die lager is dan ƒ 50.000,00 (€ 22.689,01) wordt voorgesteld dat zij bij werkaanvaarding gedurende de drie jaar ten minste 50% van hun draagkracht aanwenden voor de aflossing hun schuld. Na deze periode van drie jaar geldt de regeling zoals deze voor niet fraudevorderingen wordt voorgesteld.
Gelet op de ernst van de gedraging en de inspanningen die wij in het kader van de opsporing van grotere fraude vorderingen hebben moeten plegen , stellen wij voor om in die dat de fraudevordering aan de gemeente die hoger is dan ƒ 50.000,00 (€ 22.689,01) het bestaande invorderingsbeleid te handhaven. Dit betekent dat ten minste
50% van de draagkracht wordt aangewend voor de aflossing hun schuld.
Een voorbeeld van de financiële consequenties van dit beleid wordt in bijlage I weergegeven.
Hoofdstuk 9.
Artikel 9.2
Fraudevorderingen en werkaanvaarding
Onderdeel van Evaluatie herziening debiteurenbeleid algemene bijstandswet