Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk V

Artikel 30

Intrekking

Onderdeel van Verordening op de logeer- en kamerverhuurinrichtingen

1.. Een vergunning kan door het college worden ingetrokken: wanneer gehandeld wordt in strijd met een of meer bepalingen, bij of krachtens deze verordening gesteld, of met andere voorschriften met betrekking tot gebouwen, voor zover daarvan geen ontheffing is verleend, dan wel met voorwaarden aan de vergunning verbonden; wanneer de exploitant gedurende ten minste zes maanden van de vergunning geen gebruik heeft gemaakt; ingeval ten aanzien van de exploitant of de beheerder dan wel een hunner huisgenoten feiten of omstandigheden bekend worden, die, indien zij zich zouden hebben voorgedaan of zouden zijn bekend geworden vóór het tijdstip van de verlening van de vergunning, tot weigering van de vergunning zouden hebben geleid. 2.. Een besluit tot intrekking van een vergunning is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis van de exploitant gebracht onder mededeling van het bepaalde in artikel 35. 3.. Een zodanige intrekking gaat in, wanneer dertig dagen zijn verstreken na de dag, waarop het daartoe strekkende besluit aan de exploitant is toegezonden of uitgereikt, behoudens het bepaalde in artikel 35, 2e lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel