Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken indien:
naar zijn oordeel gegevens of omstandigheden, welke mede hebben geleid tot het verlenen van de vergunning zodanig zijn gewijzigd, dat wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2:28C., eerste en tweede lid;
de horeca-inrichting binnen 26 weken na de datum van vergunningverlening niet is geëxploiteerd;
de horeca-inrichting niet is of wordt geëxploiteerd overeenkomstig de bij de aanvraag om vergunning vermelde gegevens of de aan de vergunning verbonden voorschriften;
de horeca-inrichting wordt geëxploiteerd of handelingen plaatsvinden welke in strijd zijn met het bepaalde in artikel 2:33A.;
indien zich na afloop van een sluiting van de horeca-inrichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet, artikel 2:28G. of artikel 2:79, wederom feiten of omstandigheden voordoen, die opnieuw aanleiding zouden geven tot een sluiting op grond van één van deze artikelen.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 8:
Artikel 2:28H.
Intrekking van een vergunning
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag