**1..** De toeslag voor een alleenstaande, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander, bedraagt
voor de alleenstaande van 23 jaar en ouder: 20% van het minimumloon;
voor de alleenstaande van 22 jaar: 10% van het minimumloon;
voor de alleenstaande van 21 jaar: 2% van het minimumloon.
**2..** De toeslag voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander, bedraagt 10% van het minimumloon.
**3..** In afwijking van het eerste lid heeft de kostganger recht op toeslag ingevolge dit artikel, indien de verschuldigde kostprijs tenminste 20% van het minimumloon bedraagt.
**4..** De kostgever of (kamer)verhuurder wordt geacht kosten te delen, als bedoeld in het tweede lid.
**5..** De alleenstaande, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt geacht zijn algemene kosten van bestaan niet te kunnen delen.
**6..** De zorgbehoevende en zijn verzorger hebben recht op toeslag ingevolge het eerste lid, indien zij niet tevens kostgever of (kamer)verhuurder zijn, anders dan jegens elkaar.
**7..** Indien sprake is van medebewoning van uitsluitend één of meer niet ten laste komende kinderen, met een inkomen lager of gelijk aan de van toepassing zijnde norm ex artikel 29 Algemene bijstandswet, verhoogd met 10% van het minimumloon, bestaat recht op toeslag ingevolge het eerste lid.