In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In dit artikel is daaromtrent een regeling getroffen.
Uit dit artikel blijkt:
dat de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km moet zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in aanmerking te komen;
dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de leerling jonger dan 10 jaar is. Met andere woorden: de regeling gaat ervan uit dat een leerling van 10 jaar en ouder in principe zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van art. 29 een uitzondering hierop gemaakt worden.
In dit verband is art. 7 van belang. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar 9 jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als 9 jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar 10 jaar;
dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:
o de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken;
o de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere malen moet overstappen
o op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is;
o de route van het uitstappunt van de bus naar de school gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld verkeersbrigadiers niet mogelijk is).
Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college. Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig vervoer van de leerling niet mogelijk is. Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang. Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats aan de ouders van de leerling. Indien een begeleider (al dan niet een ouder) meerdere leerlingen tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden, indien bijv. één ouder 3 leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van de begeleider driemaal plaatsvindt. Het 4e lid bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking komen. In de uitspraak van 19-3-1992 (nr. R03.89.6924/106) van de ABRvS gaat het om de vraag in hoeverre leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere) leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van 11 jaar en ouder enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een 11-jarig kind niet kan worden verwacht dat het zelfstandig 2 of meer jongere kinderen door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.
Hoofdstuk
Artikel 12
BEKOSTIGING VAN DE KOSTEN VAN VERVOER TEN BEHOEVE VAN EEN BEGELEIDER
Onderdeel van Verordening leerlingenvervoer gemeente Almelo 2011