Naar hoofdinhoud
1.. Het lidmaatschap van de Begeleidingscommissie eindigt: door beëindiging van de zittingsperiode van de Begeleidingscommissie; door overlijden; door tussentijds ontslag, als bedoelt in het vijfde en zesde lid van artikel 5; door het aanvaarden van een onverenigbare functie, als genoemd in artikel 3, vijfde lid; door het niet langer voldoen aan de in artikel 3, tweede lid, genoemde benoembaarheideisen. 2.. Als een lid in de omstandigheid komt, dat hij niet langer voldoet aan de benoembaarheidseisen, of een met het lidmaatschap onverenigbare functie heeft aanvaard, moet onmiddellijk; het college; de Begeleidingscommissie, schriftelijk worden geïnformeerd door de organisatie namens wie het lid is voorgedragen. 3.. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de plaatsvervangende leden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel